Column

Oom Stanley

Hij is net zo lang als mijn vader. Dezelfde groeven langs zijn mond, dezelfde ogen. Maar breder, voller, gezonder. Hij draagt een zwart-wit gestreept T-shirt. Een gouden kettinkje om zijn nek. Pas sinds gisteren weet hij dat ik besta. Maar hij omhelst me en zegt: ‘Kom verder neef!’

Mijn vader was niet komen opdagen op onze laatste afspraak. Zijn telefoon nam hij niet op. Om de locatie van de plantage van mijn voorouders te achterhalen, ging ik op zoek naar zijn familie. Op Facebook vond ik zijn oudste broer, Stanley Bergwijn.

Stanley woont in de Pijp in Amsterdam, een van die buurten die voor mensen zoals ik tegenwoordig onbetaalbaar zijn. In een flatje op de eerste verdieping. Sinds twee jaar is hij met pensioen. Hij werkte in het Apollo-hotel. Zijn afdelingshoofd heette mevrouw Wijnberg. „Wacht eens even”, zei Stanley Bergwijn, „dan stam jij af van de slavenhouders die mijn familie hun achternaam gaven”. Ze werden vrienden. Stanley bleek te beschikken over een uitstekende wijnkennis en werkte zich op tot sommelier. Mevrouw Wijnberg stuurde meneer Bergwijn naar Frankrijk om te zoeken naar de beste wijn die Frankrijk te bieden heeft. En Stanley kwam terug met een wijn genaamd Montagne. Berg dus. Het etiket hangt ingelijst in zijn hal.

Wanneer we in de huiskamer zitten, op stoelen aan een eettafel, neemt hij me lachend in zich op: „Preciés je vader! Zoals je daar nu zit.” „Ielig?” vraag ik. Mijn oom knikt enthousiast: „Precies!”

Stanley was de eerste van het gezin die naar Nederland kwam, in 1968, op zijn achttiende. In Trinidad stapte hij aan boord van een cruiseschip dat in negen weken naar Genua voer, langs de mooiste Zuid-Amerikaanse eilanden. In Genua werd je dan in een trein geduwd naar Nederland. ‘Goh, erg,’ dacht hij toen hij uitstapte in Amsterdam. „Het was koud, zo koud had je nooit kunnen bedenken. In Suriname is het nooit koud. Alleen in een koelkast.” En het sneeuwde. Hij had nog nooit sneeuw gezien.

Alles was raar in het begin. Dat mensen kusten op straat. „Goh, hebben ze geen fatsoen?” Maar langzaam laat je stukjes Suriname achter. „Alles wat ik zocht, vond ik in Holland. Dat schone, dat mooie.” Hij zou nooit meer in Suriname willen leven.

Ik maak de omgekeerde reis, begrijpen we. Van Europa naar de winti’s (zo zegt hij het) die hij probeerde te ontvluchten. „Doe het niet”, zegt hij, steeds harder. „Naar Suriname, dat mag. Maar graaf niet te diep. Dan kun je jezelf kwijtraken.”

Mijn overgrootoma was inderdaad een indiaanse, met blauwe ogen, zegt Stanley. Maar van een grootvader die zichzelf met krachten van de duivel in een tijger kon veranderen en van een plantage heeft hij nog nooit gehoord. „Je vader is een storyteller”, waarschuwt hij. „Zo deed hij dat ook bij de vrouwtjes, mooie verhaaltjes vertellen. Je moet die verhalen niet te serieus nemen.” Maar een verhaal is het enige dat mijn vader me gegeven heeft. En ergens ben ik hem daar dankbaar voor: misschien was een mooi verhaal het enige dat ik zocht, ik ben tenslotte zelf een verhalenverteller.

Op weg naar de tram loop ik langs twee Surinaamse jongens. Ze lachen naar me, samenzweerderig. En als ik mijn haar wil bekijken in de etalageruit van een platenwinkel, kijk ik naar een felrode platenhoes met daarop een tekening van een gele kat met zwarte stippen. Sue Thompson heet de zangeres, het liedje: Paper Tiger.