Ook peshmerga willen naar de EU

Tegenstanders IS raken gedesillusioneerd. Verhalen van familie die met succes is gevlucht, zetten hen aan het denken

Bilesa Shaways, student rechten, schrikt als hij op Facebook leest dat Ako, een bevriende peshmergamajoor uit Sulaimaniya, twee weken geleden tussen Turkije en Griekenland is verdronken. Het woord ‘peshmerga’ betekent ‘zij die de dood in de ogen zien’. Dat hoort te slaan op een heroïsche opstelling in de gewapende strijd. Niet op een tocht in kwetsbare bootjes tussen de Turkse kust en Griekse eilanden.

„Hij had niemand verteld dat hij zou gaan”, zegt Shaways. In een koffietent in de Iraaks-Koerdische hoofdstad Erbil bestudeert hij het nieuws over Ako, dat door nabestaanden online is gezet.

„Ze kregen opeens telefoon vanaf het Griekse eiland Rhodos”, leest hij voor. Ook Ako’s 17-jarige zoon is omgekomen. Bij het bericht waarin de familie wanhopig vraagt of iemand hen heeft gezien, staat die nog lachend op de foto. Een puber met een hippe kuif, naast een vader in een traditioneel Koerdisch pak. Het hele gezin was onderweg naar Ako’s zus in Zweden. Zij is nu in Griekenland, in de hoop dat de lichamen aanspoelen en ze die in Koerdistan kan begraven.

Sinds de val van Saddam Hussein in 2003 was Koerdistan het enige deel van Irak waarnaar mensen emigreerden. Koerden die in de decennia daarvoor waren gevlucht, keerden terug om te bouwen aan wat ze hopen dat ooit hun eigen land wordt. Sinds een paar maanden is die trend gekeerd. Irakese Koerden vertrekken weer.

Dat geldt zelfs voor peshmerga, de militairen waarop het Westen zijn hoop vestigt in de strijd tegen Islamitische Staat (IS). Afgelopen week nog zei minister Bert Koenders van Buitenlandse Zaken dat hij overweegt de peshmerga wapens te sturen. Het ontbreekt de fanatieke Koerdische grondtroepen echter aan veel meer.

Niets te bieden

Hassan Muhammad (39) loopt in camouflagekleding en met een kalasjnikov over zijn schouder in het oude gedeelte van Erbil, waar een drukke overdekte markt is. Hij is net van de laadbak van een pick-uptruck gekomen, na tien dagen aan het front bij Gwer. Afgelopen week viel IS zijn eenheid drie keer aan.

Hij draalt om naar huis te gaan, omdat hij zijn zonen (9 en 11) niets te bieden heeft, zegt hij. „Ze willen een laptop of een playstation.” Hij verdient ongeveer vierhonderd euro per maand. Een deel daarvan gaat naar het afbetalen van schulden. Áls het salaris al wordt betaald. Deze zomer kregen peshmerga drie maanden geen geld omdat de regering in Bagdad begrotingsproblemen heeft en ruziet met de regionale regering in Erbil.

Het is Muhammad nog niet gelukt een tweede baan te vinden voor in zijn verlof. Over het effect van vertrekkende collega’s op de sterkte van het leger is hij laconiek. De slagkracht heeft meer te lijden onder mannen die sneuvelen, dan onder de vertrekkers naar Europa. „Als ik zelf weg kon zou ik het ook doen. Maar ik heb er het geld niet voor.” Reizen, zelfs al is het illegaal, is iets voor de middenklasse.

Redenen om weg te willen zijn er te over. De economie is in mineur, door de kostbare oorlog tegen IS die maar levens blijft kosten en door de lage olieprijs. Vluchtelingen uit andere delen van Irak, ongeveer twee miljoen op een bevolking van vijf miljoen, drukken de lonen. Er is een zware politieke crisis. Eén stam domineert al meer dan een decennium het bestuur. Koerden praten al over de volgende gewapende strijd, nadat ze IS het land uit hebben getrapt. Dat wordt die tegen shi’itische milities in Irak, waarschuwen ze.

Het is Koerdistan zoals de iets oudere generaties kennen, omschrijft schrijver en commentator Rebwar Siwayli. Waar het bestaan in het teken staat van de gewapende strijd. Maar jongeren zijn opgegroeid in een ontluikend oliestaatje waar het ene na het andere luxe appartementencomplex uit de grond wordt gestampt. Die hebben andere verwachtingen, en niet iedereen wil peshmerga worden. „Zij zijn teleurgesteld.”

Tegelijk gonsde het deze zomer in heel het Midden-Oosten van de verhalen over de oversteek naar Europa en het gemak waarmee de reis gaat als je eenmaal Griekenland weet te bereiken. „Dit is nog steeds een orale cultuur", zegt Siwayli. „Als iemand iets positiefs vertelt over een verhuizing gaat dat meteen van deur tot deur.” De meeste vertrekkers zijn volgens hem tussen 16 en 35 jaar.

„Juist omdat iedereen nu gaat is dit het moment", zegt Muhammed Rasul, vierdejaars geografie aan de Salahadin-universiteit. „Met zijn allen de grenzen over gaat beter dan wanneer je maar met twee of drie man bent.”

Hij zit met klasgenoten in de kantine, een van de weinige plekken in de stad waar jongens en meisjes ongedwongen met elkaar omgaan. Iedereen aan tafel kent vertrekkers. Neven, ooms en klasgenoten die nu in Duitsland of Zweden zitten. Logisch, want „met al die oorlogen komen we nooit toe aan het opbouwen van ons eigen leven”, zegt Hussein Omer. „Er zijn geen banen. En geen baan betekent geen huis en niet trouwen.”

Patriotten kunnen niet weg. „Eigenlijk is vertrekken not done", zegt Ferwerdin al-Barzanji, opiniemaker op sociale media en hoofd van de afdeling Klinische Biochemie aan de medische universiteit. „‘Wij zijn het land aan het opbouwen en jij pakt je biezen?' Dat geldt voor pehsmerga des te meer. Als ik hoor dat die gaan, voelt het als een dolksteek", zegt zegt Al-Barzanji.

Maar, voegt ze eraan toe. „Dit jaar is anders. Er lijkt een grote kans op een succesvolle reis en op asiel. Dat zo veel mensen gaat maakt ook de schaamte minder. Je hebt nu een goed verhaal naar je familie.”