Column

Madammen met een bontjas 

Honderden nertsen kronkelden vrijdagochtend vroeg over de Voorthuizerstraat in Putten. Ze waren afkomstig uit de fokkerij van Jansen BV – daar had iemand vlak voor de slacht de hokken van tienduizend nertsen opengezet. Dierenactivisten? Buren die last hadden van de stank? Of wraakzuchtige collega’s die naast Jansen een farm hadden willen openen, maar van de rechter niet mochten? De politie weet het nog niet, de aanslag is niet opgeëist.

Mevrouw Jansen is er „kapot” van, zegt ze buiten adem aan de telefoon. En dan moet ze snel weer naar buiten om dieren te vangen.

Hop, 225 reacties op de website van De Telegraaf. De een zegt: sluit de moordenaar van Pim Fortuyn maar weer op, een ander heeft „respect voor deze moedige daad”.

Mij lijkt het een daad van agressie. Alsof je iemands huis in brand steekt. Of iemands auto opblaast. Het gerechtshof bepaalde twee weken geleden dat het fokken van nertsen vanaf 2024 verboden is. „Het kan de nertsenhouders niet zijn ontgaan dat de productie van bont binnen brede lagen van de maatschappij weerstand oproept”, lichtte het hof zijn besluit toe. Maar tot die tijd is het houden van nertsen een legale activiteit en het vrijlaten van nertsen niet.

Ik spreek af met Elisabeth van de Velde, afkomstig uit een nertsenfokkersfamilie. Haar grootouders hadden een farm in Gemert, haar ouders in de buurt van Antwerpen. Ze herinnert zich de hoogtijdagen van het Animal Liberation Front, dat in de jaren 90 brandbommen gooide en verf spoot op pelsdieren. „De voortdurende angst dat zoiets bij ons zou gebeuren.”

Ze herinnert zich de lange, lage stallen met aan weerszijden kooitjes. Het slachten, villen en drogen van de bontvellen. Donkerbruin, dicht bont. De tonnen met karkassen. En de „metalige” geur. Er werden wel eens vellen gestolen – nooit door activisten.”

Op de middelbare school sloeg de schaamte toe. Toen zong Urbanus over Madammen met een bontjas. „Ik heb nooit durven zeggen dat mijn familie in het bont zat”, zegt ze. „Ik zong dat liedje lustig mee.”

Haar grootvader schreef in De Pelsdierenhouder „tips voor de maand juni, de belangrijkste maand van het jaar” – dan worden de pups geboren. Hij zat in de snuffelcommissie, die ‘het onderscheid tussen reuk en stank’ moest maken om te bepalen of sprake was van overlast. Zijn vrouw was behangen met bont. „Mijn grootouders waren goede mensen”, zegt Elisabeth van de Velde.

Ze bezit een bontjas van haar grootmoeder. „Vijftig jaar oud, wat je zegt duurzaam.” Die draagt ze nu niet. Als ze opstaat om het Amsterdamse café te verlaten, trekt ze haar bonten wanten aan.