‘Egoïsme is niet per se slecht’

Yentl Schieman en Christine de Boer zijn rijzende sterren. Dat verandert hun leven. ‘De snoepwinkel is gesloten’, heet hun nieuwe voorstelling. „We geven niks meer gratis weg.”

Yentl Schieman (l.) en Christine de Boer van duo Yentl en De Boer Foto’s Niels Blekemolen

‘Natuurlijk wil ik kunnen vliegen”, zingen Yentl en De Boer in Superhelden, een sleutellied in hun nieuwe voorstelling De snoepwinkel is gesloten. „Ik wil een vuurbal kunnen maken en de slechterik dan raken. Ik wil een tovenaar zijn.” Dan maakt het lied een wending. Wat als je de superkrachten voor het kiezen hebt? Dan overheerst het verdriet „dat de mensen zo alleen zijn en dat de wereld beter zonder muren is”. Nog liever dan te kunnen vliegen, zouden ze eenzame zielen troosten en redden.

In dit lied over de wens een superheld te zijn, valt de stijl van het jonge cabaretduo al goed te herkennen: een licht vervreemdende feelgood-tekst, met een geestige frappe, gedragen door hun prachtig lyrische en harmonieus samenkomende stemmen.

Eerder dit jaar verwierven Yentl Schieman (29) en Christine de Boer (32) bekendheid door het winnen van de Annie M.G. Schmidt-prijs voor beste theaterlied, voor Ik heb een man gekend. Dat nummer spelen ze ook op hun debuutalbum De Plaat, dat vorig jaar uitkwam als usb-stick. Dit seizoen zingen ze wekelijks een actueel lied bij tv-programma Opium.

Afgelopen donderdag is De snoepwinkel is gesloten in première gegaan. Het ‘muzikale, absurdistische cabaretduo’, zoals ze zichzelf omschrijven, speelt in hun show een keur aan gekke en sprookjesachtige types, zingt pakkende liedjes en laat het publiek volop meedoen.

Over egoïsme en eenzaamheid gaat het, in een sprookjessfeer waarin duistere figuren alle ruimte krijgen. Zo spelen ze onder anderen een meisje dat de wereld gaat ontdekken in het land van de ‘monsters der bemoeienis’, twee oude rovers in het bos, kinderen bij de heks uit Hans en Grietje en een eng kind met een dode baby. Als ze geen rol spelen, dagen ze elkaar uit met kritische observaties.

Schieman vertelt dat haar moeder haar de liefde voor sprookjes heeft bijgebracht. „Ze is kleuterjuf. Die zou nog het liefst zelf als heks meespelen in onze voorstelling. Ze las altijd sprookjes voor. Later raakte ik verslingerd aan fantasy. Harry Potter heb ik verslonden. In fantasy kan ik helemaal opgaan. Dan kom ik echt tot rust.”

Christine de Boer: „Sprookjes zijn vaak metaforen of symbolen voor de echte wereld. Dat spreekt me erg aan.”

Een fantasyfan met Limburgs accent

Als het gaat over de vreemde wezens die ze spelen en hun gekke stemmetjes en accenten, schiet De Boer meteen in haar rol. Op krassende heksentoon: „Sorry, wat zei je?” Schieman speelt onder meer een fantasyfan met Limburgs accent: „Dat klinkt lullig, maar het is een heerlijk accent om te doen.” In zangerig Limburgs: „Vooral omdat er zoveel tónen in zitten de hele tijd.” En dat Zeeuwse accent? Schieman: „Ik kom uit Zeeland. Dat doe ik niet expres.”

Een Zeeuwse stugheid schemert ook door in haar optreden. Schieman: „Ik ben de nuchtere van de twee. Degene die een lijntje met het publiek houdt en samenzweert als Christine weer iets geks doet.” De Boer: „Ik vlieg alle kanten op en ben all over the place. Ik laat iedereen schrikken. Ik ben niet zo bezig met hoe mensen mij zien of wat ze van me vinden.”

Bijzonder en geestig is het liedje over een slappe vent die vegeteert in zijn huis, omdat hij niet tot daden komt. Beiden, in koor, met accent: „Omdat ik onsjeeker bjên.” Schieman: „In Boer Zoekt Vrouw zat een boer die niet werd gekozen om door te gaan in het programma. Op de vraag waarom het niet gelukt was, zei hij alleen: ‘Omdat ik onsjeeker bjên.’ Dat zinnetje spookte lang in ons hoofd, tot we besloten er een liedje van te maken.”

De titel van de voorstelling is gebaseerd op hun voornemen wél iets te veranderen. Schieman: „We traden een tijd lang overal op voor weinig geld, omdat mensen zeiden dat het goed was om in onszelf te investeren. Zaten we weer twee uur in de trein om ergens te spelen voor 3 euro.” De Boer: „Yentl werkte er nog naast. Stond ze de volgende ochtend weer vanaf zeven uur koffie te schenken bij de VU.” Schieman: „Er kwam een moment dat we dachten: we zijn alleen maar aan het geven. Dus besloten we: de snoepwinkel is gesloten. We geven niks meer gratis weg. Eigenlijk dachten we dat het een spreekwoord was. Niet dus.”

De Boer: „Het is niet per se slecht om je eigenbelang voorop te zetten. In de voorstelling laten we zien wat egoïsme kan betekenen en hoe verschillend we daarmee omgaan. Ik doe graag iets met andere mensen, maar aan het eind van de dag voel ik me vaak tekortgedaan. Yentl zoekt weinig contact met mensen, omdat ze het idee heeft dat mensen egoïstisch zijn en er alleen maar zelf beter van willen worden.”

Dat wordt duidelijk in een scène waarin De Boer een bemoeizieke vrouw speelt die een initiatief van Schieman om hulp te verlenen naar zich toe trekt en overneemt. De Boer: „Dat is gebaseerd op een ervaring van een vriend van ons, die gitaren inzamelde voor Mali. Hij kreeg te maken met vrijwilligers die bij elke beslissing betrokken wilden worden. Dat was vreselijk. Dan zie je dat iedereen het goed bedoelt en lief is, maar er ondertussen vooral een goed gevoel over zichzelf aan over wil houden.”

Zogenaamde onbaatzuchtigheid

Door zo met altruïsme en egoïsme bezig te zijn, kijken ze anders naar hulpverlening. De Boer: „Een jaar geleden was ik vrij cynisch over mensen die op Facebook deelden dat ze vluchtelingen aan het helpen waren in Griekenland. Jaja, dacht ik dan. Goede sier maken met je zogenaamde onbaatzuchtigheid. Nu denk ik: wat is het eigenlijk lelijk dat ik niks doe en wel een mening heb over anderen. Wat maakt het uit wat je beweegreden is? Je bent ook een ei als je iets goeds doet voor een ander en toch aan het eind van de dag met een kutgevoel over jezelf zit.”

Schieman vindt de omgang met mensen die hun egoïsme slecht verbergen nog steeds lastig. „Dan overvalt mij het trieste gevoel dat ik heel alleen ben. Dat niemand echt met me bezig is. Dat alleen mijn ouders misschien oprecht in me geïnteresseerd zijn.” De Boer: „Nou, dat ben ik ook wel hoor, Yentl.”

In hun show slagen de eenzame meisjes die ze spelen er niet in contact te leggen. Schieman: „Ze hebben hulp nodig.”

De Boer: „Ze durven niet. ”

Schieman: „Contact maken is onwennig voor ze.”

De Boer: „Omdat hun pijn is gedaan. Omdat ze bang zijn om pijn gedaan te worden.”

Wat dat betreft vormt het liedje over superkrachten een spil in de voorstelling. De Boer: „Ware superkracht is contact met elkaar kunnen maken, op menselijk niveau.”