Column

Een chronisch probleem voor de overheid: het persoonsgebonden budget

Hoofdpijndossier is een gekend begrip in de politiek. Het persoonsgebonden budget (pgb) is er zo een. Staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) heeft het chronische kenmerk van deze problematiek aan den lijve ondervonden, al was het maar door de vele malen dit jaar dat hij in de Tweede Kamer moest uitleggen wat er nu weer was misgegaan en waarom.

Het dossier ligt weer op tafel. Nu omdat gebleken is dat veel (kleinere) gemeenten er nog niet in zijn geslaagd tijdig de informatie aan te leveren die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) nodig heeft om zorgverleners te kunnen betalen. Deze situatie deed zich eerder dit jaar voor, met als pijnlijke gevolgen dat hulpverleners lang op het geld moesten wachten waarop ze recht hadden of dat cliënten zelfs van zorg verstoken bleven. Een beschamende situatie, veroorzaakt door bureaucratische tekortkomingen.

Gemeenten hadden tot 1 november de tijd om de SVB te laten weten wie van hun inwoners voor een pgb in aanmerking komen. Dat is een taak van gemeenten sinds zij per 1 januari van dit jaar de verantwoordelijkheid hiervoor hebben overgenomen. Maar blijkens een brief die Van Rijn vorige week naar de Tweede Kamer stuurde, is dat veel gemeenten niet gelukt.

Was eerder bij het openslaan van het pgb-dossier de Sociale Verzekeringsbank te blameren omdat zij in gebreke bleef, nu is de vraag of (bepaalde) gemeenten wel over voldoende bestuurskracht en ambtelijke capaciteit beschikken om de (her)beoordelingen uit te voeren van cliënten. Het haastwerk dat hiervan het gevolg is, leidt ertoe dat de SVB zorgovereenkomsten en declaraties niet goed kan controleren. En dat er dus mogelijk meer belasting- en premiegeld aan de budgetten wordt besteed dan gerechtvaardigd is. Terwijl fraudebestrijding een reden was om de regie over het pgb bij de gemeente te leggen.

Het overhevelen van overheidstaken naar gemeenten heet decentralisatie, maar soms lijkt het erop dat afschuiven een betere term is. En de vraag is in hoeverre de gemeenten werkelijk schuldig zijn wanneer hun organisatie faalt of dat zij de dupe zijn van voortdurende financiële kortingen die het kabinet oplegt.

De noodkreet die 234 wethouders van financiën eerder deze maand slaakten, was veelzeggend. In een brief aan het kabinet somden ze de kortingen op die bijvoorbeeld voor jeugdzorg en huishoudelijke hulp werden doorgevoerd. Met als grootste bron van ergernis de onverhoedse korting op het Gemeentefonds, de belangrijkste inkomstenpost voor gemeenten.

Het Rijk betoont zich voor gemeenten een grillige partner, maar wel een waarvan ze financieel afhankelijk zijn. Op het niveau van de landelijke politiek is daar te weinig aandacht voor.