De mens wil een hol met zacht nestmateriaal, volgens Midas

Een kat ligt graag opgevouwen in een kleine doos. Bioloog Midas Dekkers legt uit waarom.

Met veel anderen dacht de schrijvende bioloog Midas Dekkers altijd dat Gregor Samsa, de jongeman die in De gedaanteverwisseling van Franz Kafka op een dag bij het ontwaken merkt dat hij is veranderd in een ‘enorm stuk ongedierte’, een kever is. Maar Samsa is geen kever en ook geen kakkerlak, stelt Midas Dekkers nu vast in De thigmofiel. Hij is zelfs geen insect, want Samsa heeft ‘veel jammerlijk dunne pootjes’, schrijft hij, en veel is meer dan zes. Ook bleef er na zijn overlijden een plat en uitgedroogd lijk over, terwijl kevers en kakkerlakken na hun dood hun gepantserde vorm behouden. Volgens Dekkers is Samsa daarom een pissebed, ‘zij het een pissebed met voldoende eigenaardigheden om hem als een nieuwe soort te beschrijven.’

De pissebed is een van de vele dieren die Midas Dekkers in zijn essay over het dierlijke verlangen naar geborgenheid behandelt. Met een goed oog voor mooie details en nutteloze wetenswaardigheden springt hij over van de kat, die graag opgevouwen in een kleine doos ligt, op de kakkerlak, die altijd ergens onder of in wegschiet, en van apen, die niet van regen houden, op de heremietkreeft, die in de huizen van dode slakken kruipt. Wat deze dieren delen, is dat ze thigmofiel zijn, een neologisme dat Dekkers heeft samengesteld uit thigmos, oud-Grieks voor aanraking, en fiel, van het eveneens oud-Griekse werkwoord voor liefhebben.

Rode draad in het boek is de mens die steeds tussen alle dieren opduikt. ‘In ieder mens schuilt een thigmofiel’, schrijft Dekkers die vervolgens alle aspecten van de menselijke thigmofilie behandelt. Zo is voor mensen pas iets écht als ze het kunnen voelen. ‘Daarom zitten kinderen overal aan.’ Slapen doet hij in een bed, het ‘particuliere thigmofielenparadijs’, en als hij wakker is geworden, stapt hij vaak onder de douche. Die is niet alleen wegens de warmte een tussenstation tussen het bed en de koude wereld, maar ook wegens het isolement dat de douchecel biedt. Bij angst kruipt de mens in zijn schulp en als hij ten einde raad is, dan resten hem slechts de armen van een ander mens die troostrijk om hem heen worden geslagen.

Uiteindelijk mondt Dekkers elegante essay uit in een aanval op modernistische architectuur, waaraan een heel hoofdstuk is gewijd. De voorkeur van architecten voor glas heeft gebouwen onherbergzaam gemaakt: ‘Glas is hard. Glashard. Daar houden architecten van. Mooi om te zien maar hard om te voelen.’ De veronachtzaming van de tastzin in de architectuur is een ramp. Want de thigmofiele mens wil ‘een hol met zacht nestmateriaal, moeders pappot en een knetterend haardvuur.’