Als schrijver kun je niet overal buiten blijven

Het is november 2005 en Tommy Wieringa verblijft een maand lang in een schrijversflat in Brussel. Hij kijkt uit het raam en ziet hoe ‘de platanen op het pleintje langzaam leegwaaien’. En, vervolgt hij dit verhaal in zijn verzameling reisbeschouwingen Honorair Kozak, ‘minzaam glimlachend bekijk ik het gewemel. Ik voel me warm en beschermd, ik bewoon een comfortabel appartement op twee verdiepingen boven de dingen – toeter maar, kleine mensen, toeter maar.’

Hier lijkt een auteur zich te onttrekken aan de alledaagsheid, en wel zo arrogant dat je hoopt dat zijn overwegingen ironisch bedoeld zijn of op z’n minst een voorbode van iets wat komen gaat. En dat is zo; het verhaal ontpopt zich juist tot een mooie beschouwing over de onmogelijkheid om als schrijver overal buiten te blijven staan. Want hoezeer de literaire wereld gehecht is aan het beeld van een auteur als peinzende beschouwer van bovenaf blijkt wel uit de winnaar van de Prix Goncourt in de maanden dat Wieringa er zit. In dat jaar wint niet een maatschappijkritische roman van Michel Houllebecq de prijs, maar die van François Weyergans, een roman over een writer’s block.

Na een paar dagen voor zich uit te hebben gestaard, gaat Wieringa naar buiten, de ‘beglazing is te dun om de wereld buiten te houden.’ Hij is getuige van een ruzie waarbij messen getrokken worden. Realiteit en kunst strijden om voorrang: ‘Ze vechten zoals ik ooit dansers zag doen in de opera Carmen. Het is een smerig gezicht, mijn maag draait zich om, maar tegenover dit soort kannibalisme sta ik machteloos.’

Veel reisbeschouwingen in Honorair Kozak gaan over de moeizame verhouding tussen kunst en werkelijkheid. Zo is er een barrière tussen de Finoegrische taal en de Hongaarse regering: ‘Ook al leeft men hier in de periferie aan het eind van een doodlopende weg, de overheid kijkt over een tuinhek mee’. Elders merkt een Amerikaanse over twee torens van de Italiaanse immigrant Sam Rodia in Los Angeles op: ‘Het spijt me, maar ik heb het niet erg op immigranten. Ze krijgen alles maar in dit land, ze hebben meer rechten dan plichten.’

Soms is er een neiging tot open deuren (‘Het belang van de dood is in handen van de levenden’) en mooischrijverij (‘De voorbodes van de winter gaan grijs en koud door de straten’), maar die worden goedgemaakt door zinnen als ‘Hoge cultuur is een zaak van een gematigd klimaat’. Bovendien: die afwisseling van mooie en minder geslaagde zinnen past uitstekend in een bundel over de wereld en/of de kunst.