Column

Zakkenvullers, parasieten en echt werk

Inkomensverschillen, ik zeg het maar eerlijk, ik worstel ermee. Aan de ene kant heb ik niets met de schrille volkswoede die af en toe losbarst over beloningen en die ongeveer zo klinkt: wie ben jij, advocaat, manager of bankier om zo veel te verdienen? Die manager, advocaat en bankier wordt daarin steevast afgeschilderd als iemand die parasiteert, die rijk is dankzij een vorm van uitbuiting van anderen. Nee, dan liever de eerlijke beroepen van schoonmaker, politieman en verpleegster, klinkt het. Hun toegevoegde waarde kunnen we zien en zouden we meer moeten belonen.

Misschien wel, misschien worden die beroepen te weinig beloond. Maar laten we eerst en vooral vaststellen dat ook beloningen waarover je veel minder klachten hoort niet eerlijk zijn. Dat een 19-jarige voetballer miljoenen verdient omdat hij toevallig is geboren met een briljant rechterbeen is ook niet ‘eerlijk’ als je hem vergelijkt met de 19-jarige vakkenvuller met minimumjeugdloon. Dat Adele miljoenen verdient en hordes andere uitstekende zangeressen een schijntje, is ook niet eerlijk. Of is het wel eerlijk? Omdat de voetballer en Adele miljoenen mensen plezier bezorgen?

Wat ik bedoel is dit: laten we van deze belangrijke discussie geen jacht maken. Voor je het weet worden we intens onverdraagzaam. Laat de maatschappij vrij beloningen bepalen. Laat iedereen woekeren met zijn talent of gebrek daaraan en biedt de mogelijkheid om met dat gewoeker te winnen zonder dat de moraalpolitie langskomt om je te vertellen dat het niet eerlijk is. Je mag winnen. En daarna draag je – in de regel – veel meer belasting af dan degenen die niet wonnen. Laten we niet meedoen met de simplistische aanname dat als je niet fysiek kan zien welke waarde een beroep creëert, het ook meteen een bullshit job is. En onthoud daarbij dat we in Nederland al veel herverdelen en veel verschil dempen.

Maar – en nu komen we aan bij ‘de andere kant’ in mijn redenering – er is wel degelijk wat aan de hand. En daarin heeft de politiek een grote rol te spelen. Loonsverschillen lopen in het Westen op terwijl tegelijkertijd de vraag is of iedere harde werker zich nog even goed kan ontplooien als voorheen. Want stijgen de topbeloningen niet al te enthousiast? Kun je aan de onderkant nog wel een loon bij elkaar verdienen waarvan je goed kan leven? Kun je nog vooruitkomen door je vastberaden op te werken? Of begint het weer uit te maken in welk gezin je geboren wordt? Deze vragen klinken het hardst in de vrijemarktminnende Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Maar ook hier kunnen deze vragen snel prangend worden. Arbeid lijkt in het economische geweld aan de verliezende hand en hoe meer dat tot burgers doordringt, hoe pregnanter verschil in beloning ter discussie zal worden gesteld.

Je kan je met recht en rede afvragen of de structuren van de arbeidsmarkt nog kloppen, of de uitkomsten nog wel rechtvaardig zijn. Aandeelhouders willen graag stemmen over het beloningsbeleid van grote ondernemingen, omdat ze te vaak kromme redeneringen bij commissarissen zien. Toch een bonus toekennen aan de top, ook al zijn de doelstellingen niet gehaald, bijvoorbeeld. Maar dit kabinet houdt een voorstel uit Brussel tegen om aandeelhouders dat stemrecht te geven. Onbegrijpelijk, gezien de in Den Haag telkens terugkerende verontwaardiging over topbeloningen.

Ander punt waar de politiek nodig is: het stelsel van belasting, bescherming en regelgeving rond de arbeidsmarkt zodanig moderniseren dat de groei van het aantal zelfstandigen zonder personeel stopt. Want de arbeider in loondienst dreigt een steeds eenzamere melkkoe te worden, die niet meer het hele land van (belasting)geld kan voorzien. Het sociaal-economische bouwwerk rond de arbeider is dringend aan vernieuwing toe. Anders dreigt een on-Nederlandse splitsing tussen winnaars en verliezers op de arbeidsmarkt.

Maar dit kabinet schuift de moeilijke discussie daarover voor zich uit, en houdt het bij gemor over beloningen en moraal in het bedrijfsleven. Daar schieten we weinig mee op.