Klimaatverandering: onze apocalyps in slow motion

De opwarming van de aarde kent zoveel onzekerheden dat passief afwachten verleidelijk is, terwijl dat eigenlijk niet kan. Het kan je moedeloos maken, als klimaatjournalist. Hoe gaan klimaatkenners ermee om?

Klimaatverandering is nieuws in slow motion. De opwarming gaat tergend langzaam, de gevolgen zijn nog maar nauwelijks merkbaar – in ieder geval niet in Nederland. Wat moet je met een zeespiegel die drie millimeter per jaar stijgt? Wat betekent een temperatuurstijging van twee graden aan het eind van de eeuw? Het lijkt zo weinig voor te stellen – zeker in vergelijking tot grote nieuwsgebeurtenissen.

Daar komt nog bij dat de wetenschap kampt met onzekerheden. Het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, hanteert maar liefst tien gradaties van (on)zekerheden, variërend van ‘zeer onwaarschijnlijk’ tot ‘bijna zeker’. Ze weten niet eens hoe ‘klimaatgevoelig’ kooldioxide precies is. Wordt het anderhalve graad warmer als de concentratie van kooldioxide in de atmosfeer verdubbelt, of meer dan vier graden? Dat maakt nogal uit.

Bij hittegolven (zoals deze zomer in Duitsland), extreme hoosbuien (laatst nog in Zuid-Frankrijk), langdurige periodes van droogte (al meer dan vier jaar in Californië en Brazilië) of zware tyfoons (dit voorjaar op Vanuatu) vragen we ons, ook in deze krant, regelmatig af wat dit met het klimaat te maken heeft. Meestal is de conclusie: het zou een symptoom van de opwarming kunnen zijn. Maar zo’n gebeurtenis direct toeschrijven aan klimaatverandering, durft bijna niemand.

Tel daarbij op de ‘handelaars in twijfel’ die de kennis over klimaatverandering handig weten te verdraaien, de belangen van de steenkool- en olie-industrie, en politici die apocalyptische verhalen houden maar vervolgens met de beschuldigende vinger naar elkaar wijzen om het probleem op te lossen. Je zou er moedeloos van worden.

Hoe ga je daar als journalist – en als krant – mee om? Om een antwoord te vinden op die vraag, ben ik in de aanloop naar de klimaattop in Parijs te rade gegaan bij drie betrokkenen, ieder met een andere rol in het klimaatdebat. Peter Kuipers Munneke is wat je zou kunnen noemen een pure wetenschapper. De meesten zullen hem kennen als weerman bij het NOS-journaal. Maar hij is vooral glacioloog, gletsjeronderzoeker. Aan de andere kant van het spectrum staat Michel Rentenaar, de Nederlandse klimaatgezant. Een diplomaat die er maar op moet vertrouwen dat de klimaatwetenschap hem voedt met de juiste kennis. En tussen hen in, op de grens van wetenschap en beleid, bevindt zich Klaas van Egmond, geowetenschapper en oud-directeur Milieu van het RIVM en later van het Planbureau voor de Leefomgeving. Wat betekent onzekerheid voor hen? Worden zij nooit moedeloos?

Beslissingen over miljarden

Klaas van Egmond is zeker geen twijfelaar. Van hem wilde ik om te beginnen weten waarom hij in september in een hoorzitting in de Tweede Kamer over klimaatbeleid zei:

„Als economen net zoveel van de economie zouden weten als klimaatwetenschappers van het klimaat, hadden we nooit een economische crisis gehad.”

Wat hij bedoelde was, dat we met twee maten meten, zegt Van Egmond, op een van de laatste zonnige dagen van dit najaar in de tuin van het Utrechtse Academiegebouw. „We gooien gerust iedere maand miljarden in de economie om ons uit de crisis te slepen. Maar over het klimaat zijn we al decennia aan het praten, zonder dat er veel gebeurt. Terwijl de klimaatwetenschap zo’n beetje de best georganiseerde wetenschap ter wereld is.”

Van Egmond begrijpt best dat onzekerheden voor beleidmakers lastig zijn. „Ik herinner me een minister die tegen mij zei: ‘Van Egmond, weet jij wel dat we hier beslissingen moeten nemen over miljarden? En dat jij dus verdraaid zeker moet weten dat je er niet naast zit?’ Toen heb ik tegen de minister gezegd: ‘Ja, dat realiseer ik me en we doen er alles aan om te zorgen dat het klopt’.”

Meer kon hij niet beloven. Van Egmond beseft dat het laatste woord over het klimaat nog lang niet gesproken is. „Er bestaat nu eenmaal een soort wet van behoud van onzekerheid”, zegt hij.

„Als de kennis toeneemt ontdek je nieuwe terugkoppelingen. Gevolgen van de opwarming, die we niet meteen zagen aankomen. Sommige van die gevolgen zullen de opwarming versnellen, andere zullen misschien juist zorgen voor vertraging.”

Na ons gesprek stuurde Van Egmond nog een e-mail met een aanvulling. Hij vindt dat de klimaatwetenschap zich meer zou moeten bekommeren om de ‘attributie’. Welke hittegolf, hoosbui of orkaan is toe te schrijven aan klimaatverandering? Als je de kennis daarover vergroot, vertaal je onzekerheid naar risico. En de beoordeling daarvan leg je vervolgens daar waar die hoort: bij de politiek.

De ijsmassa’s op West-Antarctica

Ook Peter Kuipers Munneke beseft dat er ‘unknown unknows’ zijn, dingen waarvan we nog niet eens weten dat we ze niet weten. Hoog in een van de torens van de Uithof, met een fraai uitzicht op het Utrechtse universiteitscomplex en de bossen er omheen, zegt hij dat voor een glacioloog de stijging van de zeespiegel de belangrijkste onzekerheid is. Wordt het deze eeuw ongeveer dertig centimeter, of bijna een meter? En hoeveel komt daarbij als de ijsmassa’s op West-Antarctica sterker gaan reageren op de opwarming van het oceaanwater – iets wat in de cijfers van het IPCC nog niet is meegenomen omdat er te veel onduidelijkheid over bestaat?

Overigens vindt Kuipers Munneke dat je moet oppassen met termen als ‘onzekerheid’ en ‘fout’.

„Op een wetenschappelijk symposium zijn dat gewone woorden. Maar vertaald naar het alledaagse spraakgebruik, klinken ze als ‘onbetrouwbaar’, dat je iets verkeerd hebt gedaan. Terwijl het eerder het tegenovergestelde betekent.”

Ook voor Kuipers Munneke gaat onzekerheid in de eerste plaats over risico’s. Hij noemt een voorbeeld: „Als je in Nederland een nieuwe brug bouwt, ga je uit van een scenario waarin er op die brug een file ontstaat met alleen vrachtwagens, die elk beladen zijn met 60 ton aan ijzerspoelen. Dan wordt er nog eens 20 procent bij opgeteld. De kans dat zich zo’n situatie voordoet is heel erg klein, en de brug wordt er flink veel duurder door.” In Afrika kiezen ze uit geldgebrek vaak voor een praktische benadering. Zolang een brug niet te veel kraakt, is het prima.

Wat Kuipers Munneke wil zeggen is dat je met hetzelfde scenario tot heel verschillend beleid kunt komen. De onzekerheid wordt een economische vraag: hoeveel risico ben je bereid te nemen? De onzekerheidsmarges over de zeespiegelstijging zijn volgens Kuipers Munneke met inbegrip van de keuze die we als mens maken om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Niet de wetenschap, maar de politieke besluiteloosheid over de aanpak van de opwarming, en dus de mens, is de grootste risicofactor. Gaan we gewoon door met de uitstoot van broeikasgassen, of zijn we in staat tot een kentering?

Van die beleidskeuzes wil Kuipers Munneke zich verre houden. Over de vermaarde twee graden opwarming, die we niet mogen overschrijden, zegt hij: „Dat is ook maar een getal, gekozen door politici. Niemand die zegt dat er bij 1,8 graden geen kantelpunten in het klimaat zitten, en bij 2,2 graden ineens wel.” Persoonlijk maakt hij zich wel zorgen over de gevolgen van de opwarming van het klimaat, en ook over de traagheid waarmee de samenleving in actie komt. „Ik denk dat je maar beter het zekere voor het onzekere kunt nemen”, zegt Kuipers Munneke. Maar als wetenschapper beperkt hij zich tot het aandragen van de grafieken. Politici mogen zich daarna de vraag stellen: wat hebben we er voor over?

Dat is een vraag voor klimaatgezant Michel Rentenaar, de man die namens de Nederlandse regering het klimaatbeleid overziet. Maar eerst wil ik van hem weten hoe hij omgaat met onzekerheden. Hij blijkt heel andere twijfels te hebben dan de wetenschappers. Zijn onzekerheden gaan over de vraag hoe je tot afspraken komt tussen bijna tweehonderd landen, die allemaal een ander ontwikkelingsniveau hebben en een ander dreigingsniveau.

„Wij zitten hier al achthonderd jaar veilig achter een dijk en investeren veel geld om de zeespiegelstijging voor te blijven. In Bangladesh stijgt het water ook, maar zij hebben niet het geld voor dijken. Dat is een onzekerheid”, zegt Rentenaar in een vergaderzaaltje in de betonnen kolos van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

„Ik sprak laatst met een minister van de Marshall Eilanden. Hij houdt er serieus rekening mee dat zijn land straks niet meer bestaat. Waar moet dan zijn bevolking heen? Onzekerheid. India zegt: luister wereld, ik heb nog 600 miljoen armen en u vraagt mij met de sustainable development goals daar iets aan te doen. Maar hoe doe ik dat zonder te investeren in mijn energiesector, wat tot extra emissies leidt? Onzekerheid. En nog één. De wereldbevolking groeit waarschijnlijk naar 9 miljard mensen in 2050. Hoe gaan we die voeden?”

Dramascenario’s

Het zijn grote vragen die Michel Rentenaar stelt. En toch bespeur ik bij hem geen moedeloosheid. In het begin was die er wel, vertelt hij. Toen hij in april vorig jaar nog maar net klimaatgezant was, merkte Rentenaar dat hij meeging met wat hij noemt de dramascenario’s. Zoals die keer dat hij las dat het op Antarctica 17,5 graden was.

„Ik dacht steeds: dit is heel erg! Maar dat heeft een afstompend en verlammend effect. Nu kijk ik op een andere manier. Het aanpakken van klimaatverandering biedt ook kansen. We kunnen banen creëren. We kunnen het bestaan op een andere manier inrichten. Het leven kan er plezieriger door worden.”

Steeds komt Rentenaar daarop terug. Hij wijst op het rapport Better Growth, Better Climate van een commissie onder leiding van de Mexicaanse oud-president Felipe Calderón. „Daarin wordt becijferd dat we de komende vijftien jaar 70 biljoen dollar – twaalf nullen – uitgeven aan infrastructuur. Dat kunnen we doen op de ouderwetse manier, business as usual, dan zitten we nog zo’n 120 jaar vast aan de uitstootgevolgen daarvan, de temperatuureffecten en alles wat daarna komt. Of je kunt nu al beslissen dat op een groene manier te doen.”

Volgens de klimaatgezant is het valse dilemma ontmanteld dat klimaatbeleid altijd ten koste gaat van de economie. Hij voelt er dan ook niets voor om te wachten op goedkopere oplossingen.

„Eerder het omgekeerde. Hoe langer we wachten, hoe duurder het wordt.”

Het klimaat is aan het veranderen, nu al. Dat proces kunnen we nog steeds stoppen en binnen de perken houden, denkt Rentenaar – al wordt de tijd die daarvoor rest wel korter. Maar zelfs als het lukt, zullen we ons moeten aanpassen aan de veranderingen die sowieso komen. Voor Nederland is dat een belangrijk thema. We zijn tenslotte een Hansje Brinker, vindt Rentenaar, met de vinger in de dijk. „En denk vooral niet dat aanpassing alleen te maken heeft met de natte voeten van mensen aan het einde van de wereld. Volgens Unilever kost klimaatverandering het bedrijf nu al drie- tot vierhonderd miljoen dollar per jaar. Wie denk je dat daarvoor opdraait? In ieder geval ook de consument in de Nederlandse supermarkt.”

Nieuws in slow motion

De onzekerheid waarmee ik begon, is na de drie gesprekken niet verdwenen. Maar dat hoeft geen reden te zijn voor moedeloosheid en geen aanleiding om af te wachten. Zowel de wetenschappers als de beleidsmakers laten zien dat onzekerheid vooral wordt veroorzaakt door ons handelen, of door het gebrek daaraan.

Klimaatverandering is een groot probleem (wat de zogeheten klimaatsceptici ook beweren). Maar de veranderingen gaan sluipenderwijs en de ergste gevolgen zijn pas over tientallen jaren goed zichtbaar, als het wel eens te laat zou kunnen zijn om het tij nog te keren. Nieuws in slow motion, dus.

Daarmee is klimaat een lastig onderwerp. Voor politici, die miljarden moeten besteden aan iets wat pas op termijn grote gevolgen heeft. Maar net zo goed voor een krant, waar in de hectiek van het nieuws een verhaal over het klimaat altijd wel een dagje kan worden doorgeschoven.

Alan Rusbridger, oud-hoofdredacteur van The Guardian, zei een tijd geleden, toen hij besloot veel meer aandacht aan klimaatverandering te geven: „De journalistiek is heel goed in het vangen van het moment, van veranderingen of van ongewone dingen. Maar als iets iedere dag, iedere week, ieder jaar ongeveer hetzelfde is, verliezen journalisten hun belangstelling.”

En toch moet het verhaal telkens opnieuw – en telkens anders – worden verteld. Misschien met iets minder onzekerheid. Het hangt er namelijk maar van af hoe je het brengt. Je kunt zeggen dat de zeespiegel tot het eind van deze eeuw met 28 tot 98 centimeter zal stijgen. Maar je kunt ook zeggen dat de zeespiegel zeker met een halve meter zal stijgen, en dat we alleen nog niet precies weten wanneer het zover is. In het eerste geval benadruk je de onzekerheid, in het tweede geval het risico. Onzekerheid nodigt uit tot afwachten, risico juist tot actie. En dat laatste is wat we willen. Toch?

Lees ook: Hoelang houdt Vanuatu het nog droog? En bezoek onze speciale klimaatpagina

Lees de volledig uitgewerkte interviews met Klaas van Egmond, Peter Kuipers Munneke en Michel Rentenaar: