Topvrouwen winnen echt terrein

Minister Bussemaker richt zich met haar streven naar meer topvrouwen op te veel bedrijven.

Juist de 200 grootste en dus economisch meest invloedrijke bedrijven boeken een verbluffende vooruitgang als het gaat om het aantal vrouwen in de raad van bestuur en de raad van commissarissen. Foto Hollandse Hoogte

De benoeming van vrouwen aan de top van grote ondernemingen is een groter succes dan men wil toegeven. De top van de Nederlandse zakenwereld verandert waar we bij staan.

Sinds 1 januari 2013 moeten grote ondernemingen bij wet streven naar ten minste 30 procent vrouwen in hun raden van bestuur en raden van commissarissen. Juist de 200 grootste en dus economisch meest invloedrijke bedrijven boeken hier verbluffende vooruitgang.

Eind 2014 voldeed 24 procent van deze 200 grootste ondernemingen aan de wettelijk geadviseerde diversiteit in zijn raad van commissarissen. Dat is bijna 9 procentpunt meer dan twee jaar eerder, toen ruim 13 procent aan dit criterium voldeed. Dat is een stijging van 64 procent, zo kun je opmaken uit het onderzoek naar de uitvoering van de wet dat afgelopen week is gepubliceerd. Anders gezegd: vrouwen hebben er twee generaties over gedaan om op die 13 procent te komen, nu gaan zij in drie jaar tijd naar 24 procent. Als dat geen succes is?

Natuurlijk, ook hier verloopt de vooruitgang niet in een rechte lijn. Het aantal bedrijven met adequate diversiteit in de raad van bestuur was 5,9 procent in 2012, steeg naar ruim 10 procent in 2013 en viel vorig jaar weer terug naar 9,1 procent. Ten opzichte van het eerste jaar nog steeds spectaculair. Maar: het gaat dus niet vanzelf.

Minder bestuurders, meer wedijver

Bij benoemingen van nieuwkomers in raden van bestuur stellen commissarissen hogere eisen aan ervaring en veelzijdigheid. Er is ook meer concurrentie op weg naar de top. En daar komt bij dat de besturen van grote bedrijven eerder kleiner dan groter worden: minder nieuwe benoemingen dus. Nog meer concurrentie. De commissarissen die gaan over de benoemingen van bestuurders én die steeds meer vrouwen in hun midden tellen, moeten nu kijken naar de opleiding en rekrutering van toekomstig kader.

De diversiteit moet de kwaliteit van bestuur en toezicht bij grote bedrijven verbeteren, is een van de uitgangspunten van de wet. Die wet gaat uit van vrijwilligheid, maar vrijwilligheid is niet gratis. Op de achtergrond speelt Europese regelgeving die dwingender is. En minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) houdt ook wettelijk afdwingbare quota voor vrouwen als oplossing achter de hand. Maar zij verlengt de vrijwilligheid van de huidige wet, die eind dit jaar afloopt, bij gebleken succes, vooralsnog tot 2019.

Zij werkt hierbij samen met voorzitter Hans de Boer van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Inmiddels is er een databank met zo’n duizend geschikte vrouwen.

Wat moeten Bussemaker, De Boer en de commissie die de wetsuitvoering in de gaten houdt, nu doen? Het is de kunst om de ondernemingen die het meest gevoelig zijn voor verandering, en dat zijn de 200 grootste bedrijven, verder aan te moedigen en/of onder druk te zetten om het diversiteitscriterium te realiseren. Busssemaker en De Boer zien de groep van de 200 grootste bedrijven als voortrekkers. Maar dat zijn ze niet. Zij zijn juist de kern van de economische bedrijvigheid. Wie hen heeft, heeft de invloedrijke zakenelite. Onder hen zijn de (middel)grote beursgenoteerde bedrijven, de grote familiebedrijven en coöperaties en ondernemingen die in handen zijn van private-equityfinanciers en buitenlandse concerns. Zij zijn de partijen die ertoe doen bij investeringen, onderzoek en ontwikkeling, marketinguitgaven én personeelsbeleid.

Bussemaker en de commissie die de wetsvoortgang controleert verkijken zich in twee opzichten op de 4.900 bedrijven die volgens hun databank onder deze wet vallen. En die bedroevend lage resultaten laten zien.

Misverstanden

Het eerste misverstand is het karakter van die bedrijven. Je valt onder de wet als je aan twee van drie criteria voldoet: minimaal 250 werknemers, meer dan 35 miljoen netto omzet en een balanstotaal van 17,5 miljoen euro. Van die 4.900 bedrijven heeft bijna 23 procent één bestuurder, leert het verslag van de uitvoering van de wet. Dat zijn zeker (bijna) allemaal bedrijven met een directeur-grootaandeelhouder. De eigenaar-oprichter is de baas in twee opzichten: hij bezit alle aandelen en hij is zelf de bestuurder. Hij (meestal een man) zal vrijwillig geen vrouw naast zich benoemen. Waarom zou hij? Maar bij wettelijke quota? Dan wel. Hij benoemt zijn echtgenote, vriendin of dochter, zodat de zaken toch in de familie blijven. Hij voldoet aan de letter van de wet. Maar voldoet hij ook aan de geest van de wet, zoals de voorstanders die interpreteren? Nee.

Het tweede misverstand zit in het aantal van 4.900 bedrijven die onder de wet vallen. Een vingeroefening met de databank Company.info, die zich baseert op jaarverslagen uit de Kamers van Koophandel, geeft iets meer dan 2.000 bedrijven in Nederland met meer dan 200 werknemers.

Het zou me niks verbazen als misschien wel de helft van de eerder genoemde 4.900 bedrijven uit dochters bestaat van buitenlandse concerns die wel aan de getalscriteria van omzet en balanstotaal voldoen, maar niet aan die van werkgelegenheid (250 werknemers). Hoeveel van hen zijn een Nederlandse holding van buitenlandse activiteiten? Zij moeten natuurlijk aan de wet voldoen, maar hoeveel energie moet je als minister en wetgever in zulke weigerbedrijven steken? Hoe relevant zijn ze voor de Nederlandse economie?

Richt alle aandacht op de bedrijven die het meest gevoelig zijn voor politiek-maatschappelijke druk en vier de successen. Dan wordt de positie van achterblijvers vanzelf steeds minder houdbaar. Dan zijn ze verliezers, geen winnaar. Zij worden de rokers die buiten in de regen staan.