Schrijvers, waar is uw engagement?

Blijf binnen de kaften van het boek – verzin verhalen, maar laat het daar bij. Dat schrijvers op die manier van het boek, en van de literatuur, een gevangenis proberen te maken, hebben ze niet in de gaten, aldus A.H.J. Dautzenberg.

Illustratie Hajo

‘Het vereist moed om de publieke ruimte te betreden,” stelde de filosofe Hannah Arendt (1906-1975). Wie het publieke domein betreedt, moet volgens haar niet alleen bereid zijn om de veilige privéruimte te verlaten, maar ook om te handelen tegen haar of zijn persoonlijke belangen in. En dat vereist de nodige moed.

De in Limburg geboren activistische schrijver Herman Maas formuleerde het ruim honderd jaar geleden in zijn roman Het Goud van de Peel als volgt: „Ongetwijfeld zouden er voor De Visscher sombere dagen aanbreken. Dat was een niet te ontkomen lot voor iedereen, die door ’t leven scheen aangewezen om het verbeteringswerk in de maatschappij ter hand te nemen.” Herman Maas putte uit eigen ervaringen. De schrijvende onderwijzer werd bespot, ontslagen en verstoten.

In het werk van geëngageerde schrijvers werk staat vrijwel altijd iets op het spel, en dat ‘iets’ moet worden ingepast in de literatuur én in de werkelijkheid – met alle artistieke en wereldse risico’s van dien. Een inspirerende combinatie die zowel louterend als toxisch kan werken – voor de lezer, maar zeker ook voor de schrijver.

De meeste schrijvers laten zich daardoor afschrikken en houden zich keurig aan de mores. Zij willen het liefst een zo groot mogelijk publiek bereiken, bijna schreef ik: behagen, en beroepen zich in geval van wetensnood op l’art pour l’art. Kortom, engagement zit niet in ons literair DNA – of kan ik het adjectief weglaten? (Hoe geëngageerd is onze cinema? En onze popmuziek?)

Begin dit jaar viel boekhandelaar en schrijver Maarten Asscher de eer te beurt om aan de Radboud Universiteit in Nijmegen de jaarlijkse prestigieuze Frans Kellendonklezing te houden. In zijn ietwat calvinistische betoog Engagement, taal en verbeelding onderscheidde hij vier vormen van literair engagement.

In de laagste vorm trekt een schrijver „als persoon voor een bepaalde zaak ten strijde”. Niet met de pen dus, maar handelend. Als persoon.

Een trapje hoger staat de schrijver die „zich schriftelijk of mondeling uitspreekt voor of tegen een bepaalde sociale, maatschappelijke of politieke kwestie. Niet dus de barricaden op of ergens lid van worden, maar schrijvenderwijs actie ondernemen.” Schrijvenderwijs.

Op de derde trede staat de schrijver die „in een boek een actuele sociale, maatschappelijke of politieke kwestie opvoert”. In een boek.

En dan de hoogst haalbare categorie: „Nergens lid van zijn, geen ingezonden stukken schrijven, geen actueel straatrumoer in je werk opnemen, en toch een zeer geëngageerd schrijver zijn, daarin slaagt naar mijn idee alleen de schrijver die de kunstzinnige mogelijkheden van zijn taal maximaal benut”. Woorden zijn heilig, daden ordinair.

Met zijn lezing neemt Asscher duidelijk afstand van de geruchtmakende pleidooien van Ton Anbeek (in de jaren tachtig) en Thomas Vaessens (in de jaren nul) om meer engagement toe te laten in de literatuur.

Maarten Asscher is ook niet te beroerd om in zijn Kellendonklezing een overleden auteur tot de orde te roepen. De Nederlandse schrijver Jef Last wilde in 1936 niet langer aan de zijlijn blijven staan en vocht in de Spaanse Burgeroorlog mee tegen de troepen van de fascistische dictator Franco. Daar schreef hij vervolgens brieven, essays en verhalen over – lees bijvoorbeeld Los chicquetillos, het ontroerende oorlogsverhaal dat ik in deze bloemlezing heb opgenomen. Last kwam uiteindelijk tot een veertigtal boeken. In de hiërarchische wereld van Maarten Asscher mag Last echter alleen op de laagste trede plaatsnemen. Zijn ideeënrijke, omvangrijke oeuvre wordt volledig genegeerd.

Dit doet me denken aan de woorden van premier Mark ‘visie is een olifant die het zicht belemmert’ Rutte eerder dit jaar. Hij zei te hopen dat de Nederlandse jihadstrijders op de slagvelden zouden sneuvelen, zodat ze niet terugkeren naar onze samenleving. Last is in de ogen van Asscher als schrijver in de Spaanse loopgraven gesneuveld. In de literaire wereld is hij niet meer welkom. Bureaucratie boven bezieling.

Maatschappelijke betrokkenheid bij auteurs heeft hier altijd op een kritische houding kunnen rekenen, vooral van recensenten. Max Pam schreef in HP/De Tijd over het werk van Karel Glastra van Loon (1962-2005), misschien wel de meest bevlogen Nederlandstalige schrijver ooit: „Wil hij goede boeken schrijven of wil hij de wereld verbeteren?” Allebei kon in zijn ogen niet. „Met zijn inzet voor de Socialistische Partij is de teloorgang van Glastra van Loon als schrijver begonnen.”

Arjen Fortuin, criticus van NRC Handelsblad schreef iets vergelijkbaars over de activistische auteur. „In de eenvoudigste oplossing van de wereldverbeterende schrijver, namelijk dat het produceren van schoonheid op zichzelf al zou volstaan om de mens op het rechte spoor te houden, gelooft ook Glastra van Loon niet.”

Dit doet denken aan de beroemde woorden van negentiende-eeuwer Willem Kloos die zijn bevlogen collega Frederik van Eeden tot de orde riep toen die zijn essay ‘Over humaniteit’ in De nieuwe gids publiceerde: „Schoonheid is het Leven in zijn waarste betekenis.” Wat Fortuin in feite ook zegt is dat alle schrijvers min of meer geëngageerd zijn; ze gaan met hun boeken immers een dialoog aan met de samenleving. Ik denk dat hij daarin gelijk heeft, maar dat is geen reden om een schrijver die graag een paar extra stappen zet, die geen genoegen neemt met alleen deconstructie, per definitie te diskwalificeren. Dat is wat hij hier doet. Bovendien is het ridicuul om te suggereren dat een schrijver louter ‘schoonheid’ moet produceren – let op de woordkeus: produceren. En wat bedoelt hij met ‘het rechte spoor’? En waarom mag ‘de mens’ daar niet van afwijken? Ook hier resoneert het calvinisme.

Begin dit jaar verscheen van Auke Hulst de roman Slaap zacht, Johnny Idaho. De populaire Vlaamse cultuursite Cutting Edge schreef daarover: „Voor één keer vergeven we hem zijn engagement omdat we in hem als schrijver blijven geloven, daarvan getuigen genoeg knappe dialogen en scènes in deze roman.” Hulst is gewaarschuwd, een tweede keer komt hij er niet meer mee weg. Voor de goede orde: de schrijver hekelt in zijn roman de uitwassen van het laatkapitalisme.

Slaap zacht, Johnny Idaho werd over het algemeen welwillend ontvangen in zowel Nederland als Vlaanderen, maar de recensenten worstelden zichtbaar met het ‘engagement’. In Vrij Nederland stelde Jeroen Vullings dat het wellicht beter was geweest als Hulst zijn maatschappijkritische thema’s in een essay had verwerkt. „Alleen aandacht voor de menselijke maat rechtvaardigt de romanvorm.” Dat we het weten.

De recensies verschenen overigens in de weken na de aanslag op Charlie Hebdo, een periode waarin de media de mond vol hadden van een maatschappijkritische houding van kunstenaars, en de vrijheid van meningsuiting als wettig betaalmiddel van hand tot hand ging.

Met terugwerkende kracht worden activistische schrijvers soms bewonderd, meestal pas jaren na hun dood. Papier is geduldig en het verleden een veilige bron voor inspiratie. Een zware storm is achteraf gezien altijd een romantische belevenis, maar op het moment zelf een groot gevaar.

Ik begin te denken dat de meeste schrijvers en recensenten niet opgewassen zijn tegen de boze buitenwereld. Dat is de reden dat zij het isolement opzoeken en zijn gaan schrijven, op afstand zijn gaan staan van de samenleving – het boek als weermiddel, ze nemen liever een omweg.

Collega’s die ‘de strijd’ wel aangaan zijn bedreigend, want zij leggen met hun gehemelbestorm de vigerende passiviteit van het gilde bloot, zij doorbreken de veilige status quo. De spotlichten komen op een latent aanwezig actiepotentieel te staan en dat evoceert een schuldgevoel bij de schrijvers. Door engagement vervolgens verdacht te maken (‘provocateur’, ‘aandachttrekker’), worden ze gelukkig weer wit als sneeuw en kunnen ze met een gerust hart de slaapstand weer aanklikken. De nodige schrijvers zullen het model van Asscher dan ook dankbaar in hun tijdlijn opnemen.

Het is opvallend dat ‘passieve’ schrijvers feller reageren op ‘actieve’ collega’s dan omgekeerd. De boodschap: blijf binnen de kaften van het boek – verzin verhalen, maar laat het daar asjeblieft bij. Dat ze op die manier van het boek, en van de literatuur, een gevangenis proberen te maken, of op zijn minst een dwangbuis, hebben ze niet in de gaten. Of misschien juist wel, te veel vrijheid maakt immers angstig. De schrijver is als een monnik die in zijn sobere cel de eenzaamheid cultiveert, op grote afstand van de samenleving. Lekker veilig. Hij maakt liever geen onderdeel uit van de tijdgeest.

Die gecultiveerde geborgenheid leidt er toe dat auteurs bang zijn om het publiek te mishagen. Sterker nog, de meeste schrijvers hopen eens volledig samen te kunnen vallen met hun lezers – daar geven ze hun autonomie graag voor op. De forte van literatuur is dat het ‘ik’ van de schrijver verwijst naar het ‘ik’ van de lezer – de ‘ikken’ gaan een dialoog met elkaar aan. Bij engagement leidt dat wellicht niet tot de gebruikelijke herkenning of verheffing, maar tot een pijnlijke zelfontmaskering. En dat verkleint de commerciële kansen. Liever geen punk, metal en militante rap op 3fm.

Begin dit jaar won Remco Campert de Prijs der Nederlandse Letteren. Hij werd door de jury de hemel in geprezen omdat hij „lichtheid in de literatuur” brengt. Het klonk als een opluchting én als een aansporing. Lichtheid. Neutraliteit. Afzijdigheid wordt beloond. Op de trap van Asscher staat Campert vast en zeker op de hoogste trede. Geen daden, maar woorden, lieve woorden.

Je zou bijna gaan geloven dat een schrijver die kiest voor engagement een masochistische inslag heeft. Wellicht is dat in enkele gevallen inderdaad zo, maar er is vooral iets anders aan de hand. Ik citeer de cineast Andrej Tarkovski: „I simply cannot believe that an artist can ever work only for the sake of ‘self-expression’.” En de eerder dit jaar overleden schrijver Jef Geeraerts: „De wereld om ons heen bestaat grosso modo hoofdzakelijk uit maskers en die moet je afrukken. Om de ogen van de lezers te openen. Om af en toe eens ‘het hart van de wereld’ te proberen te raken. De Grote Hoop van elke schrijver.”

Engagement is voor sommigen geen keuze, maar een vanzelfsprekendheid, een noodzaak, een missie. En gelukkig maar, want inspirerende meesterwerken als Max Havelaar en Mijn kleine oorlog kruiden nog altijd de Nederlandstalige letteren.

En wat te denken van het van politieke en humanistische idealen doordrenkte oeuvre van Carry van Bruggen? Zij was ruim een eeuw geleden een van de eersten die publiekelijk ageerde tegen het oprukkend antisemitisme, die waarschuwde voor de gevaren van het verkleinend nationalisme. Zowel binnen als buiten de kaften van haar boeken bleef ze benadrukken dat een minderheid altijd beschermd moet worden – tegen de communis opinio van de collectiviteit, tegen de verabsoluteerde waarheid van de massa.

Hannah Arendt stelde dat het moed vereist om de publieke ruimte te betreden. Ter afsluiting/relativering/aanmoediging wil ik daaraan toevoegen: laten we vooral ook niet vergeten dat het verschrikkelijk spannend is om de publieke ruimte te betreden – op kistjes, sneakers of zevenmijlslaarzen. Je beleeft nog eens wat, als schrijver en als lezer.