Pinda’s zijn eigenlijk bonen, die kun je koken

De nieuwste adviezen van de Gezondheidsraad getuigen van voortschrijdend inzicht. Ze aten vroeger totaal verkeerd. En hoe smaakt buskruit?

Voor de zuidpoolexpeditie van Robert Scottt (1910-1912) waren grote hoeveelheden peulvruchten ingeslagen.

Een eeuw geleden zag de voeding van de plattelandsbevolking in Zuid-Holland er ongeveer zó uit: om vijf uur ontbijt met brood en koffie, om half negen een tweede ontbijt met brood en koffie, om elf uur nog wat koffie, dan om twaalf uur het middagmaal, om drie uur weer koffie, om half vijf brood met koffie, om zeven uur alleen koffie en om negen uur pap. Het brood was bruin brood, belegd met boter en suiker of kaas.

Het middagmaal bestond uit aardappelen met spek of pekelvlees en als groente vaak een in de schil gekookte peer. Pap toe. De pap (van meel, rijst of havermout) werd gekookt van zoete melk. ’s Zaterdagsavonds at men gruttenbrij met stroop, op zondag soms zoutevis en op feestdagen pannekoeken, vetbollen of wafels. Alcohol werd nauwelijks gebruikt, wel werd chocolademelk gedronken. Het lijkt wat eentonig, schreef de Lexmonder dokter P. Bon in De Tijd (1 april 1911), maar slecht is het niet en de mensen varen er wel bij.

Het is een aardige oefening dit voedingspatroon af te zetten tegen de adviezen uit de net gepresenteerde Richtlijnen goede voeding 2015 van de Gezondheidsraad. Je houdt je hart vast bij al die koffie, want die werd nog niet gefiltreerd. Het genoten vet had een verkeerde samenstelling, vette vis ontbrak, er werden nauwelijks bonen gegeten en aan noten kwamen de boeren helemaal niet toe. Ook dronken ze te weinig thee. Als in het voorjaar de aardappelen slecht werden dreigde tekort aan vitamine C als niet ter compensatie sla werd gegeten. Maar: ze voeren er wel bij.

Er is al zoveel gezegd over de nieuwe Richtlijnen dat de buitenstaander daar niet graag iets aan toevoegt. Het rapport valt op door zijn losse toon, het heldere Nederlands en de afwezigheid van de detailleringsdrift die we kennen uit oudere voedingsadviezen. (‘Aan het ontbijt 2 à 3 dunne boterhammen, ieder besmeerd met 3 gram margarine, één boterham met zoet beleg.’) Het is moeilijk niet te glimlachen bij de notitie van de Raad dat de overgang op een voedingspatroon met minder dierlijke voedingsproducten ook ecologische winst oplevert. De vraag is natuurlijk of de levensduurverlenging die het resultaat is van de voedingsadviezen de gunstige broeikaseffecten niet volledig te niet doet. De ecologie is glad ijs voor de Raad.

En ook met de botanie zit hij een beetje klem. Dan weer worden de vruchten en zaden van vlinderbloemigen (Fabaceae) ‘groente’ genoemd (tuinbonen, doperwten), dan weer heten het ‘peulvruchten’ (linzen, bonen, spliterwten) en dan opeens vallen ze onder ‘noten’. Dat laatste overkomt de pinda’s die we – bij nader inzien – eigenlijk olieboontjes zouden moeten noemen. Of olie-erwten.

Maar ’t is goed om er eens bij stil te staan, dat pinda’s au fond helemaal geen noten zijn maar eerder een soort tuinbonen of kapucijners. Des te makkelijker vraag je je af of ze ook gewoon gekookt kunnen worden. En verdoemd: dat kan. In grote delen van de wereld is het koken van pinda’s-in-de-dop doodgewoon. Bekijk het zelf bij Wikipedia: boiled peanuts. Of de pelpinda’s van Nederland geschikt zijn valt te bezien. AW-onderzoek van jaren her toonde aan dat de pelpinda’s van de supermarkt zo dood zijn als een pier: ze willen nooit kiemen. Waarschijnlijk worden ze geforceerd gedroogd. De pelpinda’s en zonnepitten uit de dierenwinkel zijn nog wel kiemkrachtig.

Nederlanders gebruiken nog steeds te veel zout (NaCl) concludeert de Raad, mannen gemiddeld 10 gram per dag, vrouwen 7,5 gram. Als daar 2 gram af gaat zakt de bloeddruk met een paar millimeter kwik, zelfs bij mensen die al een normale druk hebben. Interessant genoeg zakt een te hoge bloeddruk ook als de inname van kalium wat wordt verhoogd, maar wie alles eet wat de Gezondheidsraad aanbeveelt krijgt genoeg kalium binnen. Gelukkig! Al bij die pinda’s begon de AW-redactie wat weg te zweven van de ernst van de zaak – excuus daarvoor. Het natrium-kalium-antagonisme voerde de gedachten naar de soldaten van Napoleons Grande Armée die eind 1812, terugkerend uit Moskou, niets anders meer te eten hadden dan vlees van hun gestorven paarden. Zelfs zout ontbrak. Uit wanhoop strooiden ze buskruit over hun aan de bajonet geroosterde paardelappen.

Paardenvlees met buskruit, zou dat wel smaken? Dat is deze week onderzocht en het antwoord is: nee. Het zwarte poeder dat je in rotjes en vuurpijlen aantreft is verrassend bitter-zuur. Ook voelt het vreemd koud op de tong. Het ongerief blijkt te komen van het hoofdbestanddeel van het kruit: kaliumnitraat (KNO3) – dat stond toevalling nog in pure vorm op de plank. Zwavel en houtskool, de andere bestanddelen van buskruit, smaken naar niets. Gevaarlijk voor de gezondheid was de consumptie van buskruit niet. Je kreeg er dorst van.

Nu dwaalden de gedachten af naar de koude Kerstmis die Robert Scott cum suis in 1910 op Antarctica vierden. Scotts kok wilde een traditionele mint sauce maken maar had natuurlijk geen verse munt. À l’improviste bereidde hij een saus uit tandpasta en die was een groot succes. Zelfs Scott vond het lekker. Maar was consumptie van tandpasta dan niet gevaarlijk? Ook al niet. Het bestond rond 1900 hoofdzakelijk uit krijt, glycerine, zeep, pepermuntolie en mirre, opgelost in alcohol. Later is de alcohol vervangen door water en ging er het verdikkingsmiddel tragacanth door. De pepermuntolie werd door destillatie uit verse munt bereid en leverde de onvervalste muntsmaak.