Nooit bang voor een nieuw begin

Na haar biografie van prins Bernhard, dook historicus Annejet van der Zijl in het leven van de relatief onbekende Amerikaanse Allene Tew, peetmoeder van Beatrix. „Bij Bernhard heb ik zoveel aandacht gekregen. Ik wilde vrijheid.”

Allene Tew, ooit een van de rijkste vrouwen van New York. Foto UIT boek de amerikaanse prinses

Achter elk boek van Annejet van der Zijl (53) schuilt nog een ánder verhaal: haar zoektocht naar de feiten. Zo voer ze voor Sonny Boy, het meest succesvolle boek uit haar literaire non-fictie-oeuvre, net als de hoofdpersoon met een containerschip de oceaan over. Voor haar nieuwste boek De Amerikaanse prinses ging ze de sporen na van de rijke Amerikaanse societydame Allene Tew (1872-1955) en bracht onder meer drie weken door aan het Chautauquameer in de staat New York. Met „zo’n aardige oud-leraar geschiedenis met een oude gammele bak” reed ze door Pittsburgh, at ze bij leden van plaatselijke historical societies, dwaalde door Tews voormalige huizen en zocht met een gemeentesecretaris dagenlang naar rechtbankstukken van de zaak die over haar erfenis is gevoerd.

De Amerikaanse prinses gaat over een vrouw die opgroeit in een stalhouderij in Noord-Amerika en uitgroeit tot een van de rijkste vrouwen van New York. Ze is de vleesgeworden American dream. Maar alleen aan de buitenkant, want privé krijgt Allene Tew zware klappen. Ze trouwt vijf keer – dat is nog niet zo erg – maar ze krijgt drie kinderen die ze alle drie verliest. Haar eerste dochter overlijdt als ze twee jaar oud is. Als Tew halverwege de vijftig is, sterft haar tweede dochter aan de Spaanse griep. Op de dag van haar begrafenis krijgt Tew bericht dat haar zoon, piloot tijdens de Eerste Wereldoorlog, al een tijd vermist, is omgekomen bij een luchtgevecht. Als kort daarop ook nog haar ouders en toenmalige man sterven – haar derde man, haar grote liefde zegt Van der Zijl – neemt ze een radicale beslissing. Wellicht enigszins opgejaagd door de aanduiding ‘richest and saddest widow of New York’ in The New York Times, verft ze haar haar blond, haalt vier jaar van haar leeftijd af en neemt de boot naar Europa. Ze vlucht naar een nieuw leven.

Lees ook: Niet te verslaan door het noodlot, de recensie van de Amerikaanse prinses.

Hoe kwam u bij Allene Tew?

„Door mijn biografie over prins Bernhard. Ik dacht toen nog dat ze een tante van hem was en bezocht haar huis aan de Franse kust, in Cap d’Ail. Ze bleek geen tante, wel een peetmoeder van Beatrix. Toen ik daar op het terras van haar zeehuis zat en haar verhaal hoorde, wist ik dat ik een boek over haar wilde maken. Ik had me zo verdiept in die zwaarmoedige Duitse geschiedenis, Allene voelde voor mij als frisse lucht. Ik had veel zin in Amerika. Zin om te schrijven over de fortuinen die de pioniers aan het einde van de 19de eeuw maakten in de Gilded Age, de Klatergouden Eeuw. Om te zien hoe Amerika de twee wereldoorlogen heeft beleefd…”

„Het was trouwens ook die plek hoor. Ik wilde altijd nog eens een boek schrijven over een oude vrouw aan zee die terugkijkt op haar leven.”

Koos u na boeken over grootheden als Annie M.G. Schmidt, Bernhard en Heineken bewust een relatief onbekend persoon?

„Ja. Ik wilde vrijheid. Vooral bij Bernhard heb ik zoveel aandacht gekregen. Ik wilde nu een boek dat er alleen hoefde te komen omdat ík het wilde. Net als Sonny Boy.

Wat was uw mooiste vondst?

„De brieven die ze aan het einde van haar leven aan haar stiefzoon schreef. Hij is een dolende ziel en ze geeft hem levenslessen. Courage all the time, schrijft ze. En: Je moet werken aan een sterk karakter. Je moet mensen niet te hard beoordelen. Je moet alles proberen. Find a way and if you don’t find a way, ask help. Dat soort voor de hand liggende maar toch ook ook heel slimme dingen.”

Over haar jongere jaren geeft u weinig persoonlijke informatie. Soms permitteert u zich een reflectieve zin als „ze kwam nu eenmaal uit een geslacht van stoere mensen, die weinig tijd en geduld hadden voor zelfmedelijden en zwakte”, maar u vult geen gevoelens in.

„Dat is het lot van een non-fictie schrijver. Het is toegepaste kunst, je moet het doen met wat je vindt. En uit het begin van haar leven heb ik simpelweg geen correspondentie gevonden. Ik heb aanvankelijk wel met de gedachte gespeeld er een historische roman van te maken maar dan vind je weer zulke mooie dingen dat je denkt: ik hou het hierbij, ik kan gewoon niet tegen het echte leven op verzinnen. Het klinkt wat morbide, maar ik reconstrueer als het ware een lijk dat is gevonden. Stukje bij stukje probeer ik iemand een gezicht te geven.”

Zo minutieus als Annejet van der Zijl haar personages met feiten tot leven weet te brengen, zo betrekkelijk weinig is er over haarzelf bekend. Al mompelt ze dat dat „heus wel meevalt”. „Ik heb een betrekkelijk rustig leven en misschien heb ik dat ook nodig om boeken te kunnen schrijven. Mijn boeken voelen als mijn tweede leven. Mijn eerste is fijn en bescheiden, mijn tweede groots en meeslepend.”

Na een paar jaar aan zee gewoond te hebben, groeide ze op in Leeuwarden, met haar ouders – haar vader was leraar aardrijkskunde, haar moeder gaf Franse en Engelse les –, een zusje en twee broers. Haar voornaamste bezigheid was lezen. Net als haar ouders. Er was geen televisie in de woonkamer. Later zou ze zich die tijd herinneren alsof het altijd regende. In verhalen kon ze wegdromen.

Ze wilde journalist worden, het liefst oorlogscorrespondent in een ver land. Dus studeerde ze international journalism in Engeland, waarna ze tien jaar voor HP/De Tijd werkte om vervolgens te constateren dat ze geen goede journalist was. „Ik heb geen neus voor nieuws, wel voor verhalen. Als journalist moet je een ingebakken wantrouwen hebben, dat heb ik niet en zo wil ik ook niet zijn. Ik geef mensen liever hoop.”

Haar debuut Jagtlust, over de artistieke kring rond het Gooise landgoed in de jaren 60, werd een betrekkelijk succes en haar carrière als ‘ongekroonde koningin van de literaire non-fictie’ [Pieter Steinz in NRC Handelsblad] was geboren.

Voelen uw boeken als uw tweede leven? Het is toch ook gewoon werk?

„Mijn personages gaan onder de huid zitten. Voor mijn gevoel heb ik jaren geleefd met Annie M.G. Schmidt, met Bernhard, met Allene. Ik heb nogal last van verbeeldingskracht. Toen ik voor Sonny Boy onderzoek deed naar het dagelijks leven in de concentratiekampen las ik dagenlang egodocumenten over allerlei gruwelijkheden en sprak ik met overlevenden. Ik droomde daar ’s nachts van, vond dat persoonlijk een ellendige tijd.”

Allene Tew had slechte periodes. Vooral net na de Eerste Wereldoorlog toen ze haar twee kinderen verloor.

„Ja. Ze paste toen extreem slecht in haar tijd. Net na de oorlog danste en feestte heel Amerika terwijl zij treurde. Daarom is ze volgens mij naar Europa gegaan. Als ze in New York was gebleven, was ze voor altijd die zielige weduwe gebleven. Ik denk dat iedereen periodes in zijn leven heeft waarin hij meer of minder goed in de tijd past. De tijdgeest speelt vaak minstens zo’n grote rol als karakter of afkomst. Zelf was ik student in de jaren 80. Iedereen studeerde maar wat, er waren toch geen banen, en de wereld ging sowieso kapot. Het was een tijd die totaal niet bij mijn aard paste.”

U heeft wel eens gezegd dat u in elk boek een vraag uit het leven wilt beantwoorden. Bij Sonny Boy was de vraag: hoe word je een held? Van Annie M.G. Schmidt leerde u zelfrelativering. Wat was nu de vraag?

„Hoe moet je met verlies omgaan? Ik vond het fijn om te ontdekken dat Allene na de dood van haar gezin toch weer een vorm van geluk wist te vinden. In haar brieven komt een contente oude dame naar voren. Een vrouw die zichzelf niet beklaagt en van wie veel gehouden wordt.”

Wat heeft u van haar geleerd?

Ze lacht. „Toch, courage all the time. Nooit denken dat de race gelopen is, dat je niet weer opnieuw kunt beginnen. Toen ze in Europa aankwam wist bijna niemand dat haar man en kinderen waren overleden. Ze trouwde een Duitse prins, wat geen succes was. Maar ook toen ging ze niet in een hoekje zitten – ze nam haar verlies, scheidde en trouwde gewoon nog een keer – nu met een veel jongere, zorgzame Russische graaf met wie ze nog twintig jaar in grote harmonie samen is geweest. Ik werd daar wel vrolijk van, het gaf me moed. Uitzichtloosheid is besmettelijk, maar moed ook.”