Na een aanslag is iedereen alerter

Hoe bang moet je zijn na een aanslag? Terreur maakt alerter, zei lector openbare orde Otto Adang na ‘Parijs’ tegen NRC, maar het is belangrijk nuchter te blijven. De samenleving is niet ineens veranderd.

16,90 euro ex. btw kost een rol rood-wit afzetlint met ‘niet betreden politie’ op internet (500 meter). Het spul lijkt dezer dagen niet aan te slepen.

Maandag hing het lint nog op een perron op Rotterdam Centraal, de volgende ochtend op een perron op Schiphol, diezelfde avond op Amsterdam Centraal, de volgende ochtend rondom Den Haag Centraal. Allemaal wegens ‘verdachte pakketjes’ die later achtergelaten bagage bleken.

Het lint hing diezelfde avond – woensdag – rondom „verdacht ogende materialen” op de campus van Universiteit Twente en de volgende avond bij een verdachte auto met Belgisch kenteken in een straat in Rotterdam. Burgemeester Aboutaleb, die vlakbij dineerde, werd uit voorzorg weggevoerd. En in Zwolle werd gisteren een pand van de Immigratie- en Naturalisatiedienst ontruimd wegens de vondst van een verdacht pakketje.

In een gespannen maatschappij lachen mensen de angst graag weg. Zie Twitter en de talloze grappen dezer dagen over ‘een verdacht pakketje in m’n schoen’. Maar de samenleving is wel degelijk alerter na ‘Parijs’ en dat is logisch, zegt Otto Adang, lector openbare orde en gevaarbeheersing aan de Politieacademie. Al is het ook belangrijk om nuchter te blijven, zegt hij. De wereld is niet ineens veranderd. Kijk naar de jaren ’70: bomaanslagen van IRA, RAF, ETA, PLO. Jaar op jaar was het aantal doden door terroristische aanslagen in West-Europa hoger dan nu.

Een aanslag werkt als een vliegwiel: daarna is iedereen alerter, waardoor situaties sneller als verdacht worden gezien, waardoor mensen nog alerter worden en nog meer verdachte situaties zien, etcetera. Hoe lang de verhoogde paniekerigheid aanblijft is moeilijk te zeggen, maar permanent ‘strak staan’ is onmogelijk. Wat wel kan blijven, zegt Adang, is een verhoogde staat van bewustwording zonder de paniek, zoals die in Londen aanwezig is sinds de aanslagen in 2005.

Of in Nederland het aantal ‘verdachte pakketjes’ en (valse) bommeldingen sinds ‘Parijs’ ook echt is toegenomen, is onbekend. „We turven niet”, zegt zowel de NCTB als de landelijke politie. Dat blijkt ondoenlijk: meldingen komen via telefoon, Whatsapp, wijkagent of politiebureau en het zijn er sowieso honderden per jaar – 94 valse bommeldingen alleen al op Schiphol in meetjaar 2008.

Hier werden er allemaal verdachte pakketjes gevonden: 

„Zelf zie ik de laatste dagen niet echt een toename van verdachte situaties”, zegt een woordvoerder van de Amsterdamse politie. Hij brengt ook lang niet alle incidenten naar buiten. „Afgelopen weekend was er hier iets met een bus die werd stilgezet. Vals alarm. Daarna was er iets met een doos bij Sloterdijk. Een lege doos, bleek al snel. Op zulke momenten gaan we niet naar buiten brengen dat we met z’n allen op een lege doos zijn afgestormd.”

Bij een bommelding kan de melder met een kleine handeling al grote impact hebben, zeker sinds sociale media. De politie staat dus altijd voor een dilemma: wel of niet reageren. De melder hoopt dat er gereageerd wordt, zegt Adang, dan heeft hij vaak al zijn doel bereikt. Maar dan doe je dus precies wat hij wil. Soms ook speelt andere informatie een rol. Zoals, bij verdachte pakketjes, of iemand daarnaast telefonisch heeft gedreigd.

Agenten die daarvoor speciaal zijn getraind, beoordelen elke melding. Hoe, dat is niet openbaar – het kan potentiële aandachtzoekers in de kaart spelen. Wat beoordelen lastig maakt, zegt Adang, is dat de motieven heel verschillend zijn. Een scholier die niet geleerd heeft voor een examen, iemand die aandacht zoekt, een werknemer die ruziet met de baas.

Op het doen van een valse melding staat tot zes jaar celstraf. Maar in de praktijk wordt het meestal afgedaan met een boete van enkele honderden euro’s. Soms komen daar de kosten van ontruiming bij.

Het overgrote deel van de meldingen is vals, dat weet je, want iemand die echt kwaad wil zal dat niet melden. Maar er zijn uitzonderingen, zoals de melding van een echte bom in de woning van toenmalig staatssecretaris Aad Kosto in 1991, vermoedelijk door RaRa. Die behoorde tot een „tussencategorie” van terroristische organisaties die wel melden en ook serieus zijn. „Die willen wel schade maar beogen geen dodelijke slachtoffers”, zegt Adang. „Daar waren er in het verleden heel wat van.”

Als de melding serieus lijkt, kan de politie het afzetlint pakken en een ‘verkenning’ laten doen. Ook dan zijn er dilemma’s: hoe groots pak je het aan? Na ontruiming volgt vaak publiciteit en dat, blijkt uit onderzoek, leidt weer tot kopieergedrag. En soms, zegt Adang, is ontruiming na een melding juist weer niet verstandig, bijvoorbeeld als een terrorist een aanslag wil plegen op mensen in een goed beveiligd gebouw. „Als binnendringen niet lukt, wacht de terrorist liever op ontruiming.”

Is het rood-witte afzetlint voor de zoveelste keer rondom een onschuldige tas gespannen, dan dreigt een laatste gevaar: het ‘Cry Wolf-effect’, waarbij mensen het vertrouwen in het waarschuwingsysteem verliezen en signalen niet meer serieus nemen. Maar dat, blijkt uit onderzoek, gebeurt niet snel. Mensen zien liever te veel ‘vals alarm’ dan een ‘close call’.