Een solo van 312 ramen, dat ging te ver

De erudiete architect Frans van Gool (1922-2015) was geen meeloper. Eind jaren 70 verweten columnisten hem Nieuwe Lelijkheid en ‘doodskop-architectuur’.

De Amsterdamse kantoorvilla's Peper en Zout van architect Frans van Gool

Wie Peper en Zout nu ziet, de twee kantoorvilla’s aan de Weteringsschans in Amsterdam tegenover het Rijksmuseum, kan zich moeilijk voorstellen dat ze in 1979 voor ongekende ophef zorgden. Keurige, terughoudende architectuur zijn de twee kantoorgebouwen die eind jaren zeventig naar een ontwerp van de op 25 oktober overleden architect Frans van Gool werden gebouwd.

Toch wekten Peper en Zout, die in de plaats waren gekomen van twee afgebrande villa’s uit het einde van de 19de eeuw, de toorn op van bekende columnisten en schrijvers. „Doodskoparchitectuur” noemde H.J.A. Hofland ze in een artikel in deze krant in 1979. Tamar (alias Renate Rubinstein), columniste van Vrij Nederland, zag er een uiting in van de „Nieuwe Lelijkheid”.

De heftigste kritiek op Peper en Zout staat in Het Boze Oog, een bundel columns van Gerrit Komrij uit Vrij Nederland over architectuur en vormgeving. „Wolvenesten”, noemde Komrij de gebouwen en Van Gools omschrijving van Peper en Zout als „solo van 312 ramen” deed hij af als „vage artiestenpraat”. Zoals toen gebruikelijk in polemische stukken over architectuur, haalde hij er ook de nazi’s bij: „Mein Kampf bestaat uit een solo van volzinnen en een soldatenmars uit een hoempapa-solo, maar het maakt er Mein Kampf en een soldatenmars niet kunstzinniger door.”

De tragiek van de ophef over Peper en Zout is dat de gebouwen in veel opzichten juist aan de omgeving zijn aangepast. Van Gool had geen ongenaakbare modernistische dozen met spiegelglazen gevels ontworpen, zoals die rond 1980 in de mode waren. Net als het grootste deel van de Amsterdamse binnenstad hebben Peper en Zout gevels van bakstenen en door hun omvang en uitbouwen zijn ze echo’s van de oude villa’s met erkers en torentjes.

Frans van Gool was dan ook een einzelgänger in de Nederlandse architectuur, vindt architect Pi de Bruijn, die van 1978 tot 1988 een bureau had met onder anderen Van Gool. „Hij was geen meeloper en brak al vroeg met het orthodoxe Nederlandse modernisme. Hij zocht zijn inspiratie vooral in Midden-Europa en Italië. Hij heeft heel goed gekeken naar het werk van bijvoorbeeld Gio Ponti.”

Van Gool was een self made architect, aldus De Bruijn. „Na een studie weg- en waterbouwkunde heeft hij zich het architectenvak zelf eigen gemaakt. Hij werd een erudiete architect, met een grote belangstelling voor muziek. Hij heeft nog eens een artikel geschreven over Béla Bartók. Niet toevallig: sommige van zijn werken kun je vergelijken met de miniaturen van Bartók.”

Van Gool begon zijn architectenloopbaan bij het bureau Van den Broek en Bakema, waar hij in het begin van de jaren vijftig werkte aan de Lijnbaan, het invloedrijke woning- en winkelcomplex in Rotterdam. Na enkele jaren stapte hij over naar de Gemeentelijke Woningdienst Amsterdam, waar hij vooral (galerij)flats en rijtjeshuizen ontwierp in de nieuwbouwwijken in het westen en zuiden van de stad. „Hiervan springen de zaagtandwoningen in Amsterdam-Slotervaart eruit”, vindt De Bruijn. „Hij gaf de rijtjeshuizen driehoekige uitbouwen die een ongebruikelijke, mooie plattegrond mogelijk maakten. Hij heeft het nog aan de stok gekregen met zijn baas Cornelis van Eesteren. Die vond de zaagtandgevels veel te frivool.”

Met zijn eigen bureau, dat hij in 1959 had opgericht met A.N. Oyevaar en H.W.C. Stolle, ontwierp hij kantoorgebouwen, zoals die voor Nationale Nederlanden in Den Haag, winkelcentra en woonbuurten. Van de laatste is Het Breed uit 1968, een complex van 1100 etagewoningen in Amsterdam-Noord, het bekendst geworden. De gevels van de flats, die met elkaar zijn verbonden met luchtbruggen, bestaan uit lange rijen kolommen, die worden onderbroken door bolle en vlakke balkonbalustrades. „Ook de plattegronden van de woningen zaten heel goed in elkaar”, weet Maike Cannon, die van 1973 tot 2003 met haar gezin in Plan Van Gool woonde, zoals Het Breed nu heet. „Mijn twee zonen hadden allebei een ongewoon grote slaapkamer. Vier woningtypes heeft elke flat en op de hoeken zitten ook nog atelierwoningen. Ook zijn er gemeenschappelijke ruimtes. Dat hoorde erbij in die tijd.”

Tegelijk met Peper en Zout ontwierp Van Gool de gevels van de Bijenkorfparkeergarage bij de Dam in Amsterdam, waar hij het betonskelet invulde met glazen bouwstenen en ruwe bakstenen. Hoewel verwant met Peper en Zout, werd dit ‘meesterwerk’, zoals De Bruijn de garage noemt, niet opgemerkt door het boze oog van columnisten.

„De kritiek op Peper en Zout heeft Van Gool enorm aangegrepen”, zegt De Bruijn. „Hij is er letterlijk drie maanden ziek van geweest. Na zijn terugkomst op het bureau was hij niet meer de man met de tongue-in- cheek-humor. Hij heeft nog wel gewerkt en is bijvoorbeeld van 1986 tot 1988 Rijksbouwmeester geweest. Maar hij was een geknakt man. De hetze tegen Peper en Zout heeft hem kapot gemaakt.”