Dubbele moraal over ‘Parijs’? Nee, dit is wereldnieuws

Soms komt slecht nieuws zo dichtbij dat het je bijna verplettert. Onder woede, wanhoop of gewoon stomheid. ‘9/11’ was zo’n moment en, lijkt het, ‘Parijs’ is dat ook.

Maar wat betekent ‘dichtbij’?

De oorlog heeft Europa bereikt, kopte nrc.next meteen op maandag. Maar onderop die pagina werd alweer de vraag opgeworpen: „Oorlog? Denk na over je woorden.” Boven de opiniepagina’s stond, ook in de middagkrant, Oorlog? Pas op met dat roekeloze taalgebruik.

Uit dat perpetuum mobile van angst en relativering valt op te maken dat nog niet helder is hoe dichtbij of ver weg dit dramatische nieuws precies is of zal blijven. Of het nu ook hier ‘oorlog’ is, en met wie. Hoe, en met welke inzet dan.

Ook op andere momenten in de berichtgeving kon je de dialectiek van ‘dichtbij’ en ‘ver weg’ zien, die hoort bij ontwrichtende nieuwsfeiten waarvan de consequenties niet meteen duidelijk zijn en inzet worden van verhitte discussie.

Een legioen critici op sociale media signaleerde na Parijs bijvoorbeeld ‘meten met twee maten’ in de media, omdat een aanslag in Beiroet één dag eerder (43 doden) nauwelijks aandacht had gekregen. Dat was eurocentrisme: zijn ‘Franse’ levens meer waard dan andere?

Dat lijkt me verkeerde retoriek.

Dat nieuws dichtbij huis groter wordt gebracht, is in het algemeen niet gek: de meeste media dienen nog altijd een lokale of nationale gemeenschap. Een treinongeluk in Nederland, bijvoorbeeld, is voor Nederlandse lezers relevanter dan een in Bangladesh – en andersom.

Daarnaast: de recente aanslag in Beiroet werd helemaal niet genegeerd. Tal van media (CNN, The New York Times, The Economist, The Washington Post) brachten het nieuws. Alleen, oppert chef buitenland Max Fisher op de site Vox mismoedig, het grote publiek was er niet in geïnteresseerd. Te ver weg, te vaak gehoord. Maar ja, kritiek op de media past goed in het morele plaatje.

Ook NRC-correspondent Gert van Langendonck ergerde zich aan die betrokkenheid-achteraf bij Beiroet (‘Plots solidair met Beiroet? Bespaar ons uw bullshit’, 18 november). Maar hij noteerde óók dat hij zelf in NRC Handelsblad vrijdag maar, zegge en schrijve, honderd woorden had gekregen voor die aanslag, „met een grote foto, dat wel”.

Deels was dat pech: Van Langendonck was niet ter plekke, maar verbleef in Nederland, voor de Nacht van NRC. Toen het nieuws ’s avonds kwam, had de ochtendkrant nog maar weinig plek, een tweekolomsbericht op pagina 2. De latere middagkrant bracht het nieuws prominent, op pagina 3, met foto, maar met minder tekst. Meer achtergrond was wel gerechtvaardigd geweest: dit was tenslotte de eerste aanslag in Beiroet in ruim anderhalf jaar, opgeëist door IS. Maar toen volgde al meteen de terreur in Parijs.

Met islamitische terreuraanslagen is de afweging hoe ‘dichtbij’ die komen hoe dan ook veranderd. Dat terrorisme, en de islam als zodanig, staat in politiek en publieke opinie steeds nadrukkelijker in een mondiaal kader, hetzij als een oorlog tegen terreur, een botsing van beschavingen, of een ideologische oorlog met, tegen of binnen de islam. Als je radicaal genoeg bent, is dan uiteindelijk álles wat ermee te maken heeft heel nabij, en is Amsterdam-West opeens Gaza-stad.

NRC Handelsblad heeft dat kader sinds september 2001 beperkter willen houden en het vooral politiek en seculier gedefinieerd. In commentaren houdt de krant zich verre van botsende beschavingen en wijst die er, ook nu, op dat terroristen een oorlog tussen de islam en het Westen juist willen provoceren.

Welk perspectief je ook kiest: deze aanslagen zijn geen ‘Europees’ nieuws (de slachtoffers kwamen uit de halve wereld), maar wereldnieuws dat ook elders harder aankomt dan, hoe verschrikkelijk ook, nog weer een aanslag in Bagdad of een net eerdere, maar minder omvangrijke in Beiroet. Hier is niet een ‘dubbele moraal’ in het spel, eerder één: nieuws over een mondiaal drama.

Nog iets over dichtbij en ver weg. Vanaf dinsdag plaatsten de NRC-kranten (en site) portretten en namen van slachtoffers van het bloedbad. Een geserreerde manier om, zoals het heet, slachtoffers van terreur ‘een gezicht te geven’.

Maar ook hier werkt de dialectiek van afstand en nabijheid. Na het neerstorten van MH17 werden de slachtoffers aanvankelijk juist geanonimiseerd.

Daar waren toen deze argumenten voor: de privacy van slachtoffers en die van nabestaanden, die mogelijk nog niet op de hoogte waren gebracht. De hoofdredactie plaatste de mededeling dat de namen waren weggelaten „op basis van de gedragscode van de krant”. Later, toen de officiële dodenlijst was gepubliceerd , noemde de krant wel namen.

Bij rampen en geweld in het buitenland komen slachtoffers in de regel ‘gewoon’ zonder zulke bedenkingen in de media, ook in NRC Handelsblad. Net als criminelen trouwens: de media berichten over Robert M., maar Marc Dutroux.

De paradox: deze slachtoffers van Parijs worden de lezer enerzijds getoond omdat hun lot zo ‘dichtbij’ is (het is maar vijf uur rijden, het kan hier ook gebeuren), en tegelijk omdat het net genoeg ‘verder weg’ is (over de grens, dus minder argumenten van privacy).

Voor de goede orde, ik vind die portretjes niet verkeerd – integendeel zelfs, ik vind het gepast. Een krant moet laten zien om wie het gaat. Het is een manier om slachtoffers te gedenken, en te laten zien dat zij niet meteen verdwijnen in de mist van de geschiedenis. Maar ik vraag me wel af, al mag je er niet aan denken, hoe de krant zou omgaan met een vergelijkbare aanslag in Nederland.

Tegelijk maken die portretten nog iets anders duidelijk. Van inwoners en bezoekers van Parijs zijn in een etmaal namen, feiten en foto’s te achterhalen. Maar een vergelijkbare portrettengalerij van Pakistaanse, Iraakse of Indiase terreurslachtoffers zag ik nog nooit – zij worden eerder, anoniem, vertegenwoordigd door ‘iconen’, zoals Malala.

Is dát dan toch meten met twee maten? Het laat in elk geval zien hoe ongelijk verdeeld de toegang tot informatie en daarmee symboolmacht is, wereldwijd.