Deze oorlog draait om angst

Parijs, lijn 4

Op metrolijn 4, van noord naar zuid, denkt elke passagier het zijne over de ‘oorlog’ waarin Frankrijk verkeert. Ze proberen door te gaan alsof er niets aan de hand is, maar helemaal lukt dat niet. Al vinden de meesten ‘oorlog’ een groot woord. „Je moet ze ook weer niet te veel eer geven, die gastjes.”

Natuurlijk is Parijs niet bang. Dit is Parijs! Een kleine week na de aanslagen is het werk weer begonnen, de scholen en universiteiten zijn heropend en zelfs de winkels vlakbij de getroffen cafés en concertzaal doen weer zaken.

„We laten ons niet door een paar rotjongens het vrije leven afpakken”, zei de boomlange Gilles (39) donderdagmiddag op metrolijn 4 bij station Saint-Placide. Maar erg overtuigend was zijn stoere taal niet. Want toen een verwarde clochard zich bij de volgende halte tijdens het sluiten van de metrodeuren schreeuwend de trein inwierp, was Gilles niet de enige in de coupé wiens hele lijf trilde. Met een schichtige beweging probeerde hij zich te verstoppen achter zijn flinterdunne laptoptas.

Het was niet anders bij Gare du Nord, toen daar ’s ochtends met een harde klap een rolkoffertje omviel. De mensen die stonden te wachten schoten alle kanten uit. Rond de mevrouw aan wie de bagage toebehoorde, was in de stationshal in een fractie van een seconde een lege cirkel van zo’n dertig meter doorsnede ontstaan. Verbaasd kijkend stond ze in het midden en zette ze het koffertje weer overeind.

En dan die halflege Schweppes-fles die op het perron van halte Odéon op zijn kant lag. Hoe druk het ook was, alle passagiers liepen er in de avondspits met een grote boog omheen. Een hondje van een sjieke dame op hakken duwde de fles met het donkere goedje uiteindelijk onvervaard met zijn neus het spoor op. Toch geen bom.

Frankrijk is „in oorlog”, heeft president François Hollande gezegd. Maar als je de Parijzenaars aan het front ernaar vraagt, dan vinden ze die woorden vaak wat al te kras. „Want wie is dan eigenlijk de vijand”, vraagt de een. „En is zo’n oorlog wel te winnen?” Het land stond er al niet zo best voor, het vertrouwen in het oplossend vermogen van de politiek is klein, leert een lange dag van ontmoetingen met willekeurige Parijzenaars op de metrolijn die de stad van noord naar zuid doorkruist.

Lijn 4, de donkerpaarse, begint bij Porte de Clignancourt. Daar ligt voor toeristen de toegang tot de vlooienmarkt van Saint-Ouen. Parijzenaars komen er om bij de Préfecture hun rijbewijs te verlengen en verse immigranten halen er hun verblijfsvergunning. Via de Afrikaanse en overwegend islamitische wijken rond Barbès gaat de lijn naar de door de aanslagen getroffen hippe buurtjes rond République en van daar verder naar het toeristische centrum en de beaux quartiers in het zuiden van de stad. Het eindpunt ligt in Montrouge, een voorstadje net buiten de Périphérique.

Porte de Clignancourt

„Frankrijk voert iets te vaak oorlog”, zegt Mourad, die zoals zoveel Fransen (en niet alleen na een aanslag) zijn achternaam niet wil geven. De metro is opvallend leeg als de 42-jarige man met grijzige krulbaard en arbeideristisch petje op een klapstoeltje bij de deuren plaatsneemt. Hij heeft net verteld dat hij geen televisie meer kijkt omdat hij de media niet vertrouwt. En dat het een voordeel is dat hij niet werkt „omdat je dan beter kunt nadenken”. Maar hij wordt onderbroken door een blikkige vrouwenstem. „Wegens een verdacht pakketje bij station Gare de l’Est is het verkeer op lijn vier onderbroken.” De trein blijft nog even stilstaan.

Wat Mourad wilde zeggen: welke oorlog voert Frankrijk eigenlijk? „We bombarderen in Syrië, terwijl de aanslagen door Fransen g epleegd zijn. Moeten we dan niet spreken van een burgeroorlog?” Frankrijk, zegt hij, is „medeverantwoordelijk” voor de ontstane situatie. „Het hele Westen heeft het Midden-Oosten gedestabiliseerd. Die jongens van IS zijn de intellectuele erfgenamen van al-Qaeda, dat we enthousiast bestreden hebben. Wie wind zaait zal storm oogsten, zeg ik. President Hollande en premier Valls zitten veilig in hun paleizen. Wij, gewone mensen, zitten met de verdachte pakketjes.”

Simplon

Diakite Bakary stapt in. Hij is 26, zegt hij, en werkt normaal gesproken ’s nachts in een bakkerij aan de Champs-Élysées. Maar vannacht was hij vrij. „Frankrijk is een goed land met een mooie geschiedenis”, zegt hij. „Maar wat nu gebeurt is verkeerd. Of het nou katholieken, joden of moslims zijn zoals ik, ze moeten geen stommiteiten uithalen. Moslims die dit soort dingen doen, maken iedereen verdacht en dat wil ik niet.” Of Frankrijk in oorlog is? „Daar heb ik nog niet zoveel van gemerkt”, lacht hij, en schuift zijn grote hipsterbril wat verder op de neus. „Ik ben hier geboren, maar mijn familie komt uit Ivoorkust. Die hebben me weleens iets over oorlog verteld. Dat zag er anders uit.”

Château Rouge

„De oorlog is officieel alleen gericht tegen mensen die problemen veroorzaken”, zegt Ismael Sako (23), student. Hij woont praktisch boven het metrostation, zegt hij, in het hart van de Afrikaanse wijk van Parijs. „Ik ben bang dat voor veel Fransen de buitenlanders weer de vijand worden. Als er iets misgaat, dan hebben wij het gedaan. Ik ben dan wel geboren in Guinée-Conakry, maar ik ben Frans. Dit is mijn thuis. En dat wil ik zo houden.”

Barbès-Rochechouart

Net als de omroepster aan het eind van de ochtend heeft aangekondigd dat Gare de l’Est weer toegankelijk is, dient zich een nieuw probleem aan. „Is er een dokter aan boord?” roept de paniekerige machinist door de speakers. Een oudere passagier is onwel geworden, ligt met zijn buik in de coupé en met zijn voeten op het perron. Opnieuw oponthoud.

„Ik leef!” zegt de 33-jarige Noël, gevraagd naar de oorlogssituatie. Net iets te hard. Een aantal van de in hun telefoons verdiepte reizigers kijkt verstoord op.

„Ik ben doodsbang, zoals iedereen”, vervolgt de kleurrijk geklede vrouw met grote boodschappentassen op gedemptere toon. „Maar we moeten niet verdeeld zijn. Dat is precies wat ze willen, de terroristen van Daesh (Islamitische Staat), ze willen ons uit elkaar drijven. Ja, we zijn in oorlog, maar mijn persoonlijke oorlog is tegen de pessimisten gericht, tegen de mensen die denken dat Frankrijk dit niet te boven komt. Zij vergissen zich. Frankrijk is sterker dan een paar verdwaalde jongens met kalasjnikovs.”

Gare du Nord

„Frankrijk heeft een Vladimir Poetin nodig”, meent Daniel Helbecque. „Dat is geen garantie op veiligheid, zoals we aan dat vliegtuig in Egypte hebben gezien, maar wij zijn wel heel kwetsbaar. Iemand moet in dit land keihard orde op zaken stellen. Het gaat al veel te lang verkeerd”, zegt hij. En dan een vraag. „Bent u weleens in Calais geweest? Dat is derde wereld, meneer.”

Op Gare du Nord is Helbecque op weg naar een trein die hem terugbrengt naar de campagne. In Parijs moet je nooit te lang blijven, vindt hij. Hij woont in de buurt van Maubeuge, op de Belgische grens. Daar loopt het leeg, werk is er niet. „Alle jongeren trekken naar de grote steden, ook mijn kinderen. Als je veertig jaar werk achter de rug hebt, zoals ik, zit je nog goed. Maar de volgende generaties zullen alleen maar armer worden.”

Wie de Franse Poetin is? „Hollande in ieder geval niet”, schuddebuikt hij. „Ach, ik begrijp ze wel, die jongeren die in Marine Le Pen de oplossing zien. Zij zegt waar het op staat: politici zijn allemaal leugenaars. Nu willen ze weer tuinhuisjes gaan belasten. Maar persoonlijk denk ik dat een terugkeer naar de franc voor mijn pensioen niet goed zou zijn.”

Étienne Marcel

„Kijk nou toch, hier staan we met zijn allen op een kluitje. Ziet u enige politie in deze metro? Ik voel me niet veilig.”

Françoise Bechouche (48) heeft een brocantezaakje bij Les Halles, in het hart van Parijs. De ochtend na de aanslagen was ze een van de weinigen die de deuren openden. „Ik was verdoofd en ging maar gewoon door met werken”, zegt ze nu. „Pas later besefte ik echt wat er aan de hand was. Sinds mijn dochter woensdag tijdens de grote politieactie in Saint-Denis vast kwam te zitten midden in het gebied dat was afgezet, ben ik echt bang. Dit is een oorlog die draait om angst.”

De Fransen hebben de gewoonte te klagen. Over de politiek, over de economie, over „een land dat al dertig jaar bergafwaarts gaat”, zegt mevrouw Bechouche. „Maar we zijn verwende kinderen. Het ging geweldig met Frankrijk, vorige week donderdag. Vanaf nu is alles anders.”

Les Halles

„Ik heb persoonlijk niet veel ervaring met oorlog, om eerlijk te zijn”, zegt Sarah Schmitt (40). Al lopend de linkse krant Libération lezend, beent ze over het perron. „Ik probeer mijn leven niet te veranderen: ik ga uit, ik zit op terrassen en ik neem de metro. Maar wat vorige week gebeurd is, heeft mijn werk nu al wel op zijn kop gezet. Ik organiseer een jaarlijks rockfestival, dus we zijn bezorgd om de veiligheid.”

Frankrijk heeft een hoop herstelwerk te verrichten, zegt ze. „Veel van mijn vrienden hier in Parijs hebben hun kinderen de laatste jaren op privéscholen gedaan. Dat lijkt me geen goed teken. De école républicaine is zo ontzettend belangrijk voor de eenheid van dit land, maar die is jarenlang verwaarloosd. De kloof tussen de kwaliteit van scholen in de banlieue en die in de steden is daardoor te groot.”

Châtelet

Ahmed (20), student filosofie aan de Sorbonne: „Voor het eerst in hele lange tijd heeft Frankrijk oorlog op het eigen grondgebied. Maar de vijand is onzichtbaar. Ik ben enorm geraakt, dit zijn taferelen die we niet gewend zijn te zien in het Westen. Ik denk dat een enorme koerswijziging nodig is: we ontkomen er niet aan om met Bashar al-Assad samen te werken.”

Cité

Lunchtijd: het wordt drukker op lijn 4. Van iedere drie minuten een trein gaat de frequentie naar iedere twee minuten. De gesprekjes worden korter, iedereen heeft haast.

„Vrijdag was geen goede dag, maar het leven gaat door”, zegt Mona (42). „De hele wereld is in oorlog”, vindt ze. „Denk niet dat alleen Frankrijk in het vizier van deze terroristen ligt. Al denken we dat we anders zijn, we zijn zoals alle westerse landen.”

Julien (47), satirische krant Le canard enchaîné onder de arm: „Dit is al de tweede keer dat ze dit jaar toeslaan. Toch is het verschil met januari groot. Toen ging het om een symbool, om Charlie Hebdo. Het was revanche na een kennelijke provocatie en het waren bij de supermarkt joden die specifiek vermoord werden. Nu is iedereen in gevaar. Of Frankrijk in oorlog is, zou ik niet kunnen zeggen. Maar als president Hollande zo het Front National te slim af denkt te zijn, dan heeft hij mijn steun. Radicalisering moet je op alle fronten bestrijden.”

Saint-Michel

Vier gendarmes, drie iele mannen en een potige vrouw met allen imposante machinegeweren, patrouilleren over het perron, enkel tientallen meters onder het toeristische hart van Parijs. Ze worden gevolgd door een cameraploeg van Canal+.

„Wat opvalt”, zegt de kaalgeschoren officier Frédéric die (zonder achternaam) met de pers mag praten, „is dat de mensen deze dagen meer met elkaar spreken. Passagiers wijzen elkaar en daarna ons op verdachte zaken. Dat helpt enorm om de veiligheid te vergroten en het is goed voor de sociale samenhang.”

Maar als de camera’s weg zijn, begint een oud dametje met stok een tirade. „Dit is de vierde metro die ik vandaag neem en dit is de eerste beveiliging die ik zie!”

Odéon

„Het begrip oorlog”, zegt Salah Boukadoum (72), „zegt me helemaal niets. Ik zou persoonlijk spreken van een onbarmhartige strijd tegen de criminelen. Je moet ze ook weer niet te veel eer geven, die gastjes.”

Op een van de perronstoeltjes, zat Boukadoum net de boekenbijlage van Le Monde te lezen. Hij lijkt weinig haast te hebben de metro te nemen. „Zo’n woord als ‘oorlog’”, vervolgt hij, „gebruikt de président de la république natuurlijk vooral om de mensen gerust te stellen. En dat zal wel werken, want de Fransen houden van grote woorden. Ik hou zelf meer van kleine woorden”, zegt hij.

„Ik vraag me af of dit overal had kunnen gebeuren, zoals de mensen zeggen. We hebben hier zo’n vier miljoen mensen met een moslimachtergrond, maar in Duitsland zitten veel Turken. Zijn die anders? Ik vrees dat onze banlieues jongeren extra bevattelijk maken voor dit soort sektes. We moeten ze niet uit het oog verliezen.”

Saint-Germain-des-Prés

N’ayez pas peur” (wees niet bang), zingt een op zijn benen tollende man met een enorme rugzak op het perron. Een Brits koppel probeert hem te ontlopen. „Sorry mate, don’t speak French.” Na een paar minuten raaskallen wordt de man, en zijn onder de bankjes slapende vriendin, door veiligheidsmedewerkers van het vervoerbedrijf verwijderd. „We hadden een tip gekregen”, zegt de agent.

Raspail

„De oorlog is begonnen, het is nu te laat om er nog iets aan te doen.” Zinda, 36 jaar oud, draagt hetzelfde brilmontuur als de Congolese vrijheidsstrijder Lumumba. Bij station Raspail, diep onder de betere wijken aan de Parijse linkeroever, maakt hij een spectaculaire duikvlucht om nog net de metro te halen. „De koloniale geschiedenis van Frankrijk wordt het land fataal”, zegt hij. „Frankrijk heeft een generatie gecreëerd die zich tegen het land keert. Kom bij mij niet met verhalen over égalité, ik ben geen patriot. Dit land kent geen gelijkheid.”

Porte d’Orléans

„Ik ben misschien niet de juiste persoon om over de huidige situatie te praten”, zegt Carole Perineau (51) aarzelend. Het is het begin van de avond. De deftige dame in mantelpak, ze komt net van haar werk, is bijna thuis. Ze zit op een zijwaarts bankje. „Ik stond op 25 juli 1995 op het perron van RER-station Saint-Michel”, zegt ze.

Iedere Parijzenaar weet: dat was de dag van een van de dodelijkste van de vorige golf aanslagen in de Franse hoofdstad, toen gelieerd aan de oorlog in Algerije. Acht mensen kwamen op het station om het leven. „Alles komt terug, deze dagen”, zegt Perineau.

„Het waren natuurlijk niet precies dezelfde mensen, maar het geweld heeft wel dezelfde herkomst. Moet ik nog vertrouwen hebben in de Franse politiek? Of ze nou van links of van rechts komen, ze denken alleen aan zichzelf. Wat is er in twintig jaar gebeurd? Helemaal niets. Dit land is veel te laks geweest.”

Mairie de Montrouge

„De huidige situatie is erger dan de Tweede Wereldoorlog, omdat het spel niet volgens de regels gespeeld wordt”, zegt Françoise (76), elegant zoals alleen oma’s uit Parijs dat kunnen zijn. „Ik ben extra voorzichtig, probeer zo min mogelijk de metro te nemen”, zegt ze. „Want het is inmiddels wel duidelijk dat onze politici niet zijn opgewassen tegen deze strijd.”

In januari haalde Montrouge kortstondig het nieuws. Daags na het bloedbad bij Charlie, maar nog net voor zijn aanval op de kosjere supermarkt, schoot de terrorist Amedy Coulibaly hier een politieagente dood. „Ik vrees dat ze niet veel geleerd hebben van wat er toen gebeurd is”, zegt Françoise strijdbaar. „Het is ieder voor zich.”

Uit de speaker klinkt een stem. „Alle passagiers wordt verzocht uit te stappen. Eindpunt.”