Column

Angst

Parijs – voor Le Carillon en Le Petit Cambodge had de regen de meeste kaarsjes in de bloemenzee gedoofd. Er stonden slechts een paar omstanders, anders dan bij Place de la Republique verderop, waar tv-ploegen stonden en jongeren hand in hand wat doelloos rond het monument bewogen, op zoek naar een ritueel. Hier was het stil. De natte bloemen, de kaarsen zonder vlam, het glanzende plastic om de foto’s van de slachtoffers, de leuzen (Paris is light!) op verslapt papier en karton – er ging die avond, een kleine week na de aanslag, behalve een intense droefheid ook iets machteloos van uit.

Bas Heijne

Ik at met enkele Nederlandse journalisten in een restaurant op minder dan een steenworp afstand. Bij het afrekenen zei de eigenaar dat hij hen iets wilde vragen. Zij hadden heel Parijs doorkruist op zoek naar reacties en verhalen – wat was hun indruk? Hoe beleefden zijn stadsgenoten verschrikking? Een van de journalisten antwoordde dat hij echt angst tegenkomt. Er lijkt voorlopig wel degelijk een manier van leven aangetast. Mensen gaan niet graag hun huis uit. Het gezicht van de restauranteigenaar betrok. Zijn buurt was wèl weerbaar – de gezamenlijke middenstand van de buurt had een lange tafel op straat opgesteld, vlak bij de plek van de aanslag. Mensen praatten, aten en dronken met elkaar. Dàt is Parijs, zei hij. Hij leek er niet gerust op.

Een kleine week na de aanslagen wordt vooral dat onbehagen voelbaar. Afgezien van de angst voor nieuwe aanslagen, komt een diepere onzekerheid naar boven – hoe sterk is de samenleving echt? De aanslagen blijken een stresstest. De journaliste Alexandra Laignel-Lavastine, die in de voorstad Seine-Saint-Denis woont, zocht na de aanslagen de jongeren in haar quartier op, in de hoop daar dit keer wel saamhorigheid aan te treffen. Niet dus – ze ontdekte dat veel jongeren nog steeds in een parallel universum leven. De moorden kònden niet door moslims gepleegd zijn, want „un musulman, ça tue pas”. De media verkondigen moedwillig leugens, er is een complot tegen de islam gaande. De Mossad, de Franse veiligheidsdiensten, Zionisten, de Joden – in dit gesloten wereldbeeld leek ook na deze gruwelen geen reflectie of mededogen doorgedrongen.

Deze jongeren waren, schrijft ze, net als trouwens de aanslagplegers, kinderen ten tijde de aanslagen van 2001 – ze zijn opgegroeid in Frankrijk. Hoe heeft die totale afwijzing en vervreemding kunnen gebeuren? Laignel-Lavastine hekelt de Franse linkse elite, die uit angst voor achterstelling en islamofobie, moedwillig blind is gebleven voor de verspreiding van radicaal gedachtegoed. Afzijdigheid gemaskeerd met goede bedoelingen; de luie aanname dat slachtoffers nooit ook daders kunnen zijn. Hetzelfde lijkt in Molenbeek gebeurd te zijn. Die bestuurlijke desinteresse is net zo fnuikend gebleken als de maatschappelijke afwijzing waar dezelfde jongeren mee te maken hebben.

Voor dat laatste hoef je niet in de banlieue te wonen; een jonge Fransman van Algerijnse afkomst, die keurig binnen de Périphérique woont (in een van de torenflats waar ook Michel Houellebecq zijn intrek heeft genomen) legde mij een tijdje geleden uit dat hij, ondanks een opleiding aan Sorbonne, zelden wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek – hij heeft zijn naam tegen. Er is niks radicaals aan hem, hij is fan van Ahmed Aboutaleb (en Carice van Houten), maar hij zit wel muurvast.

Maar hoe verhoudt die somberheid zich met alle hoopvolle geluiden van de afgelopen week? Er zijn spontane demonstraties, er is nieuwe saamhorigheid, petities worden ook door moslims massaal getekend. In de Volkskrant stond vrijdag een mooi gesprek met een lerares in de banlieue. De reacties van haar leerlingen zijn nu heel anders dan na de aanslag op Charlie Hebdo, vertelde ze: „Dit keer kunnen ze niet zeggen: dit gaat niet om ons. Ze moeten zich echt afvragen of dit bij de islam hoort.” En: „Ze zijn 17, merde. Ze willen leven.” De terroristen drijven mensen door hun uitzinnige wreedheid en doodsdrift naar het midden. Hoe lang? En is het genoeg om de „fracture”, de harde breuklijnen die door de Franse samenleving lopen, te helen? Misschien moet je om te kunnen hopen eerst de angst dat het misgaat echt voelen. Hoop moet je verdienen. Anders blijft het een zinloze wedstrijd tussen rooskleurige optimisten en zwartgallige haters.

Toen ik tegen middernacht het restaurant verliet, brandden trouwens alle kaarsjes weer.