Pablo stond op de dodenlijst, maar hij overleefde de dictator

De Spaanse activist Pablo Mayoral behoorde in 1975 tot de laatste elf terdoodveroordeelden. Hij kreeg clementie. Vijf anderen niet. De strijd om eerherstel van zijn kameraden duurt voort. „We mogen ze niet vergeten.”

President en generaal Francisco Franco regeerde van 1939 tot zijn dood in 1975 als dictator over Spanje. Vandaag precies 40 jaar geleden stierf hij op 82-jarige leeftijd.

‘Of ik blij was met de dood van Franco? Hombre! Natuurlijk!”, zegt Pablo Mayoral Rueda (64) met een twinkeling in zijn ogen. „Die 20ste november 1975 zie ik zo voor me. Vanuit de kelders van de gevangenis hoorde ik hoe boven mij werd geschreeuwd en gezongen. Toen wist ik: hij is dood. Hierop had ik lang gewacht. Twee maanden ervoor leek het gedaan met me. Nu was er weer hoop. Zijn sterfdag is een klein beetje feest voor me.”

De strijd tegen het regime van Franco tekent het leven van Mayoral. Als 24-jarige communist moet hij de strijd bijna met de dood bekopen. De geboren Madrileen komt op een lijst met elf terdoodveroordeelden terecht. Ook in Nederland zijn de elf voorpaginanieuws. De vonnissen leiden tot groot protest. Dat helpt maar ten dele. Vijf mannen krijgen de kogel, voor de andere zes is er clementie. „Ik weet nog steeds niet waarom ik mocht blijven leven. Er zat geen enkele logica in”, vertelt Mayoral nu. „Mijn straf werd omgezet in dertig jaar.”

In 1977, twee jaar na zijn vonnis, kwam hij vrij. Met een bittere smaak begint hij aan een nieuw leven. „Maar er gaat geen dag voorbij dat ik niet denk aan mijn vijf vermoorde kameraden. José Humberto Baena, José Luis Sánchez Bravo, Ramón García Sanz, Juan Paredes Manot en Ángel Otaegui werden op 27 september 1975 als laatste Spanjaarden ter dood gebracht. We mogen ze nooit vergeten.”

Nationaal taboe

Mayoral ontvangt in een tot atelier omgebouwde garage in de Madrileense volkswijk Villaverde Alto. Hier komt hij bijna dagelijks samen met lotgenoten, onder wie zijn oude makker Manuel Blanco Chivite, die in 1975 op dezelfde dodenlijst stond. De tafels liggen bezaaid met pamfletten, buttons en posters. Aan de muren affiches voor demonstraties of benefietconcerten. Hier is de strijd tegen Franco springlevend. „Het is een moeilijk gevecht. In Spanje wordt het verleden verzwegen”, verzucht hij. „Alsof er niets is gebeurd. Een nationaal taboe. Jongeren krijgen de geschiedenis niet te horen.”

In zijn gedachten gaat Mayoral terug naar de jaren 50. Met twee zussen en een broertje groeit hij op in een arbeidersgezin in Madrid. „Mijn jeugd speelde zich af tijdens de dictatuur. Armoede. Op school moesten we dagelijks Cara al sol [Gezicht naar de zon] zingen. Een fascistisch lied. Thuis werd niet over politiek gesproken. Mijn ouders hadden de Burgeroorlog meegemaakt. Diepe angst vanbinnen.”

Mayorals „ogen gingen open” als hij in Sevilla een opleiding tot elektricien volgt. „Mensen kwamen in verzet. Terug in Madrid sloot ik me aan bij de Partido Comunista de España (marxista-leninista). We gingen ons organiseren, probeerden een vakbond op te richten, maakten kranten, zamelden geld in voor politieke gevangenen, streden voor betere huisvesting, andere arbeidsomstandigheden en zetten clandestiene acties op touw. Toen mijn broertje werd opgepakt voor het uitdelen van pamfletten schrok mijn moeder zich kapot. Op het politiebureau kreeg hij harde klappen en hij werd een maand opgesloten in een heropvoedingskamp.”

Mayoral komt als mogelijke tegenstander van het regime op de zwarte lijst van de politie te staan. „Ze verdachten mij ervan dat ik hem had beïnvloed. En dat was ook zo”, zegt hij nu met een glimlach. „Ik moest echt ondergronds. Ik zegde mijn baan op en woonde met mijn vriendin overal en nergens. De strijd verhardde zich in 1975. Bij elke stap namen we voorzorgsmaatregelen. Tot ik voor het huis van een vriend het vuilnis buitenzette. Ik liep zo in de armen van de politie. In een auto werd ik afgevoerd.”

Mayoral werd beschuldigd van betrokkenheid bij de moord op politieman Lucio Rodríguez op 14 juli in Madrid. „Een opzetje. Ik heb nooit een gewapende actie gedaan. Dagen werd ik gemarteld. Stokslagen. Harde klappen. Dan een isoleercel. Daar stond niets. Geen matras, stoel. Niets. Er was zelfs geen licht. Na acht dagen was ik gebroken. Alles was al bedacht. De verklaringen lagen klaar. Ik heb getekend.”

Mayoral moet voor een militair tribunaal verschijnen. „Daar heb ik alles ontkend, maar dat had geen zin meer. Er werd niet geluisterd. Ik kreeg de doodstraf. Het liet me koud. Ik wilde verlost worden van de situatie waarin ik zat. Om gek van te worden. Ik kwam in een isoleercel in Carabanchel terecht, een beruchte gevangenis in Madrid. Die hel vergeet ik nooit. Bewakers riepen elke dag dat ze me zouden afmaken.”

Hij haalt kracht uit korte ontmoetingen op de binnenplaats met kameraden die ook ter dood zijn veroordeeld. „Je steunt elkaar. We wisten: sommigen zouden het niet overleven. Aan je eigen leven dacht je niet. We waren met elkaar verbonden.”

De gevangenen krijgen in Carabanchel niet mee dat overal in Europa protestacties zijn tegen de doodvonnissen. In België, Frankrijk, Zweden, Portugal en Nederland worden Spaanse ambassades en consulaten aangevallen. De EG-landen doen een gezamenlijk verzoek alle veroordeelden gratie te verlenen. Maar op 26 september maakt Spanje bekend dat de volgende dag vijf doodvonnissen worden voltrokken. Drie in Madrid, één in Barcelona, één in Burgos. Nederland roept met twaalf landen de ambassadeur terug. „EG-Commissie wil Spanje in de ijskast zetten”, schrijft NRC Handelsblad.

Vuurpeloton

Mayoral maakt de dag in afzondering vanuit zijn cel mee. „Een dag later sloot ik op de buitenplaats Manuel Blanco Chivite en de anderen in de armen. Vreugde. Maar dan kijk je wie er niet bij zijn. José, José Luis en Ramón ontbraken. We wisten meteen dat zij waren doodgeschoten. Dat kwam keihard aan. Het blijft me voor altijd bij. Later bleek dat ook twee ETA-leden waren gedood. Wij hebben beloofd de vriendenstrijd voort te zetten.”

Als in oktober 1977 een amnestiewet van kracht wordt, is de vrijheid voor de inmiddels overgeplaatste Mayoral nabij. „Op 9 november 1977 liep ik de poort uit. Een paar uur later was ik terug in Madrid. Voor het eerst zag ik mijn familie weer. Een enorme overwinning. Maar het was raar dat ik amnestie kreeg voor iets wat ik nooit had gedaan. We hadden recht op genoegdoening. Maar dat hebben we nooit gekregen. Dat doet nog steeds pijn.”

Snel na zijn vrijlating gaat hij de barricades op. Als de Madrileen in 1978 met 22 anderen in een hotel bespreekt hoe de misdaden uit de Francotijd kunnen worden bestraft, belandt hij weer in de cel. „Het thema mocht niet eens besproken worden. Spanje noemt zich sinds 1978 een democratie, maar het franquismo is nooit helemaal verdwenen. Landen als Frankrijk, Italië en Duitsland hebben allemaal afgerekend met hun oorlogsmisdadigers. In Spanje lopen ze nog gewoon rond.”

Alle pogingen om de verantwoordelijken voor de executies van 27 september 1975 achter de tralies te krijgen zijn mislukt. De Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón – die de Argentijnse marineofficier Adolfo Scilingo veroordeeld wist te krijgen voor deelname aan dodenvluchten tijdens de dictatuur van Videla – werd uit zijn ambt gezet toen hij een onderzoek wilde instellen. Mayoral en een aantal anderen vonden wel een luisterend oor bij de Argentijnse rechter María Servini de Cubría. Die probeert op basis van ‘universele rechtspraak’ alsnog vervolging in te stellen. Die constructie is ooit zelf door Spanje in het leven geroepen om misdaden uit de Argentijnse dictatuur te kunnen bestraffen. Mayoral: „Spanje is er goed in met de vinger naar andere landen te wijzen. Maar als het om misdaden in Spanje zelf gaat wordt alles afgedekt. In 2013 heb ik in Buenos Aires mijn hele verhaal gedaan. De rechter heeft de uitlevering gevraagd van een aantal ministers uit de dictatuur. Maar er zit geen beweging in de zaak. Het moet uit Spanje zelf komen. Ik kijk uit naar de verkiezingen van 20 december. Het is tijd voor een nieuw Spanje. Daarvoor moeten we eerst goed afrekenen met het verleden. Veertig jaar na de dood van Franco is het een open wond.”

Mini-documentaire 'Franco's Ghost':