Opeens was ze van ons – wat deden we ermee?

ABN Amro had als staatsbank nuttig werk kunnen verrichten, als aanjager van kredietverstrekking. Maar de overheid deed niets met de bank.

Op een praatavondje van de lokale PvdA-afdeling over bevordering van de werkgelegenheid in de stad liep ik de man van VNO-NCW, de werkgevers, tegen het lijf. Zijn urgentie in het forumgesprek was frappant („Het is niet 5 vóór 12, niet 5 óver 12, maar tíén over 12”). De politici achter de tafel reageerden lauw. Of niet.

Wat zou hij de gemeente adviseren, vroeg ik ’m in de pauze. Krediet geven, zei hij. Want banken geven geen of te weinig leningen aan kleine bedrijven en aan starters. Om allerlei redenen. Maar als je als gemeente wat wilt doen voor je lokale economie en voor banenbehoud dan moet je aan dat tekort aan financieringen iets doen.

Hij verwoordde in het klein wat in het groot, in politiek Den Haag sedert de nationalisatie van ABN Amro en Fortis Nederland op 3 oktober 2008, een onderwerp is waar men geen raad mee weet. We, zeg maar Nederland, de belastingbetalers, de burgers, de samenleving, wij dus, wij hadden een grote bank, die bij uitstek goed is in financiering van het Nederlandse bedrijfsleven (kredieten, handelsfinanciering) en van particulieren (woninghypotheken).

Maar wat moesten we ermee?

De nationalisatie in 2008 à 16,8 miljard euro overviel de politici net zo als de bankwerknemers, hun klanten en de burgers. Het was ongeëvenaard. Anderhalve week daarvoor had de Amerikaanse regering een duizelingwekkend reddingspakket voor de banken en de economie gelanceerd. In de Volkskrant tekende Jos Collignon de moderne variant van een stalinistische scène: sigaren rokende bankmannen marcheren strak in pak voorbij een Kremlin-achtig podium waarop president Bush staat. In de verte staat het Witte Huis.

Geld moet stromen

Drie maanden na de nationalisatie van ABN Amro en Fortis redde de overheid bank en verzekeraar ING voor de tweede maal in korte tijd. Als onderdeel van de steunactie deed ING de toezegging dat er 25 miljard euro extra krediet op tafel zou komen voor bedrijven en burgers. Daarmee leverde de overheid via haar kapitaalinjectie in ING ook een indirecte bijdrage aan versterking van de economie. Meer krediet, wat meer economische groei, meer banen of in elk geval: meer banenbehoud. Dat was een voorzichtige aanzet tot wat je financiële industriepolitiek kunt noemen: rechtstreekse participatie door de overheid in de financiële sector om daarmee economische groei, een gezond bedrijfsleven en nationale welvaart te bevorderen.

Toch is het niks geworden. De benoeming in 2009 van oud-minister Gerrit Zalm (VVD) als topman van ABN Amro en de politieke keus om de bank zo snel mogelijk weer te verkopen, maakten korte metten met het idee van financiële industriepolitiek.

Raar. Want Nederland heeft in financiële industriepolitiek een rijk verleden. En Nederland heeft ook, zo blijkt uit een onafgebroken reeks van plannen, proefballonnen en mislukte pogingen, juist daar behoefte aan.

Tot het moment dat Zalm als minister van Financiën in het links-liberale kabinet Kok (1994-2002) de Nationale Investeringsbank (NIB) van de hand deed, was de overheid na de Tweede Wereldoorlog steeds een partij geweest in de financiële dienstverlening aan het bedrijfsleven. Zoals de overheid het toen als haar taak zag (en nog steeds ziet) om voor de fysieke infrastructuur te zorgen met wegen, rails en luchthavens, zo zag zij ook een rol in de financiële infrastructuur. Betrouwbare wegen brengen je van A naar B, betrouwbare banken zorgen dat het geld van spaarders als krediet bij bedrijven komt.

Spil van de overheidsbemoeienis met de financiële infrastructuur was de NIB. De Investeringsbank was in 1945 opgericht door geldwereld én overheid samen om te voorzien in een lacune in voorzieningen: leningen aan bedrijven met een langere looptijd. Met name in tijden van crisis, waarin stroppen oplopen, banken bang worden en bedrijven op kredietrantsoen zetten, kon de NIB als tegendraadse, maar commerciële bank haar nut bewijzen.

Is de staat verdacht?

De staatsbemoeienis raakte in de liberaal-optimistische jaren negentig van de vorige eeuw echter verdacht. Een echte economische neergang zou niet meer voorkomen. Toch?

Toch wel. Na 2008.

Vanaf dat moment was te zien hoe de overheid, politici, de financiële wereld én ondernemers probeerden het stuwmeer van bank- en pensioenkapitaal beter richting investeringen te laten lopen. Om hoeveel gaat het? Nederland heeft zo’n 2.000.000.000.000 (2.000 miljard) euro aan spaargeld, verzekeringsbeleggingen en pensioenkapitaal. En dan laat ik de grotere familievermogens nog buiten beschouwing.

Tot 2014 was Bernard Wientjes als voorzitter van VNO-NCW dé pleitbezorger van een investeringsimpuls in de economie door de geldwereld, met name door de grote pensioenfondsen. Zijn bondgenoot is PvdA-leider Diederik Samsom. Aan proefballonnen, plannen, voorstellen, nieuwe investeringsfondsen en nieuwe denk- en doe-instanties is geen gebrek. Voor het midden- en kleinbedrijf. Voor duurzame energie. Het meest praktische idee, om de markt voor woninghypotheken een impuls te geven met pensioengeld, moest onlangs na bijna twee jaar studie en onderhandelingen afgevoerd worden. Te lastig, te veel tijd verdaan, te veel slapende Brusselse honden wakker gemaakt die ‘pas op, staatssteun’ blaffen.

Iedereen behalve wij

De ongemakkelijke tegenstelling tussen 2.000 miljard euro kapitaal en de roep om meer krediet bestaat nog steeds. Zie ook de succesvolle lobby van ING ten behoeve van fiscale begunstiging van speciale obligaties (zogeheten coco’s) die tot het kapitaal van banken gerekend mogen worden: doe het, want anders loopt de kredietverlening aan bedrijven gevaar. Zie ook het laatste rapport van het World Economic Forum. Daarin staat Nederland fier op plaats 5 als meest concurrerende economie ter wereld. Maar op het criterium ‘soepele toegang tot krediet’ staat Nederland op 49.

Zie ook het nieuwste plan voor hervorming van de financiële infrastructuur. Dat is van Jeroen Kremers, toevallig voormalig lid van de ABN Amro-top. Hij schreef op verzoek van minister Dijsselbloem (Financiën, PvdA) een blauwdruk voor de manier waarop Nederland gebruik kan maken van de Europese investeringsimpuls van ruim 300 miljard euro in het zogeheten Juncker-fonds. Alle Europese landen hebben een aan de overheid gelieerde investeringsmaatschappij of geldgigant die dat Europese geld kan doorsluizen naar hun bedrijven. Iedereen, behalve Nederland. Kremers grote voorbeeld is de Duitse semi-staatsbank KfW, die bijvoorbeeld Nederlandse infrastructuur (zeesluizen bij IJmuiden) en windenergie financiert.

ABN Amro had zelf of via een aparte dochter een rol kunnen krijgen in de hervorming van de financiële infrastructuur, waaraan, gezien gezien alle plannen, initiatieven én onze slechte score op dit punt bij het World Economic Forum, absoluut behoefte is. Een behoefte waarin, zo is na zo veel geploeter wel duidelijk, de particuliere financiële sector niet vanzelfsprekend zal voorzien. Dus is de vraag: waarom proberen zo veel partijen en politici steeds weer (tevergeefs) zelf het wiel uit te vinden? Waarom lieten zij de expertise en het netwerk van een bank van het kaliber van ABN Amro ongebruikt voor de aanleg van een meer effectieve financiële infrastructuur?

Het is raadselachtig. Zitten politici zo vast in het mantra dat de overheid alleen maar kwaad doet in de economie? Zijn ze zo bang voor Brussel? Nooit van geoorloofde staatssteun gehoord? Kennen zij de geschiedenis en het succes van de Nationale Investeringsbank niet? Of missen zij fantasie en een zakelijk benul?

Nu ABN Amro vandaag naar de beurs gaat en een leven als ouderwets private bank tegemoet gaat, kun je spreken van een gemiste kans voor de financiële infrastructuur.