Column

Ooggetuigen

Het is nu precies een week geleden. Ik had toen nog nooit gehoord van Julien Pearce, Frank de Wilde, Ferry Zandvliet, Bob de Zwart en Dexter Sillem. Ook het theater Bataclan in Parijs kende ik niet. Dat gold ook voor de naam Abdelhamid Abaaoud, de Belg die het brein zou zijn achter onder meer het bloedbad dat in dat theater is aangericht. Allemaal onbekende namen die zich nu niet meer laten uitwissen.

Voor mij begon alles bij Julien Pearce. Ik kwam vorige week vrijdag laat thuis, hoorde de eerste berichten uit Parijs en begreep dat er aanslagen waren geweest. De volle omvang drong kort na middernacht tot me door, toen ik op CNN het eerste ooggetuigeverslag hoorde van een zekere Julien Pearce, een Franse radioreporter, die aanwezig was geweest in Bataclan. Hij sprak licht hijgend, met bedwongen emotie, wat zijn woorden een nog dramatischer lading gaf. Zijn gezicht was niet te zien, het was een telefonisch verslag.

Hij vertelde hoe jongens van een jaar of twintig het theater waren binnengekomen en kalm, zonder iets te zeggen, het vuur hadden geopend op de bezoekers. Het duurde zeker tien minuten. Hij had zich naar buiten geworsteld en zelfs nog een bloedend meisje naar een taxi kunnen brengen. Vrienden van hem moesten in de zaal zijn, hij wist niet of ze nog leefden.

Feiten zonder ooggetuigen blijven feiten: kil, ontoegankelijk. Het zijn de ooggetuigen die de feiten tot leven moeten brengen. Dat deden voor mij na Pearce de vier Rotterdamse vrienden Frank de Wilde, Ferry Zandvliet, Bob de Zwart en Dexter Sillem, die hun verhaal in de talkshow van Humberto Tan bij RTL vertelden. Het was aangrijpende televisie, ook dankzij Tan, die aanvoelde wanneer hij moest vragen en, vooral, zwijgen.

Het duurde ruim een half uur, lang genoeg om te zien hoe verschillend mensen zo’n afgrijselijke gebeurtenis ondergaan. Frank was de stilste, Ferry toonde de meeste emotie, bij Bob kon er soms nog een lachje af en Dexter bleef het rustigst – wat hij ook tijdens de slachting in het theater was geweest. Zonder enige koketterie of misplaatst heldendom gingen ze op de vragen van Tan in.

Frank: „Hij stond tien meter van mij vandaan, ik zag meteen dat het een kalasjnikov was. Het enige wat ik dacht: ik moet zorgen dat mijn hoofd en torso niet geraakt worden. Ik lag bovenop mensen en heb geprobeerd over hen heen veiligheid te zoeken. Ik heb iemand van mij afgeduwd, ben gaan kruipen en weet niet hoe ik bij de nooduitgang ben gekomen.”

Bob: „Op het moment dat het gebeurde, had ik geen besef waar de anderen waren. Je bent alleen met jezelf bezig, je hebt geen tijd om de grote held uit te hangen.”

Ferry: „Ik zag iedereen liggen en ben toen ook maar gaan liggen. Toen zag ik die gasten daar staan. Dan wordt het heel stil.”

Bob: „De doodse stilte ineens, en af en toe die knallen, en dan weer die stilte, het was ondraaglijk.”

Dexter: „Ik raakte verstrengeld tussen mensen, kon niet vluchten, totale paniek, ik ben gaan liggen, probeerde mijn hoofd uit de vuurlinie te houden, een meisje werd geraakt in de borst en viel over mij heen, voor mij een geluk bij een ongeluk, dat was mijn bescherming.”

Hoe goed ze er ook over praatten, je kon merken dat de verwerking nog moest beginnen. „Het is net een film, alsof ik in de bioscoop zit”, zei Frank.

Vier Rotterdamse jongens gingen naar een popconcert.