In het spoor van de reuzenslak

Slakken zijn aan een langzame opmars bezig. Niet zozeer op het bord, maar als huisgenoot, en in de beautysalon, waar je ze over je gezicht kunt laten lopen.

Ze voelen ijskoud aan op je hand. Glibberig. Nat. En zwáár dat ze zijn. En oké, het dikke gele slijmspoor dat ze op je huid achterlaten, kun je beter even aan de theedoek afvegen. Maar eerlijk is eerlijk, als je eenmaal een paar minuten aan het spelen bent met de huisdieren van Justus (7), vergeet je al snel wat het eigenlijk zijn: slakken. Nee, reuzenslakken.

Poffie, Slijmbal, Slakkie en Streepie – baby’s zijn het nog. Slijmbal, de grootste, heeft het formaat van de palm van een kinderhand. Acht jaar oud kunnen ze worden. Met een beetje geluk groeien deze Afrikaanse reuzenslakken zo door tot een centimeter of 30.

Maar wat móet je ermee?

Justus heeft zijn antwoord klaar. „Slakken zijn mijn lievelingsdieren. Ze zijn zo mooi. En hun slijm is supergoed voor je huid.”

Hij graait Slijmbal uit de slabak op de keukentafel. De andere drie blijven achter, ze knabbelen aan appeltjes en tomaten. Als je goed luistert, hoor je ze eten. „Ze hebben één tandje, wist je dat?”

Creatief moet je soms wel zijn, met slakken als huisdier. Op zijn verjaardag dacht Justus een leuk spel te spelen met ze. Hij legde al zijn cadeautjes in een kring en de slakken op een bord in het midden. Welke kant ze opkropen bepaalde dan welk cadeautje hij mocht openen. Een soort spin the bottle – maar dan met Afrikaanse reuzenslakken. Ze gingen alleen wel heel erg traag. Uiteindelijk heeft Justus het bord maar rondgedraaid.

Moeder Machteld van Barchjansen lacht. Toen Justus afgelopen zomer om reuzenslakken vroeg – hij had erover gelezen op internet – was ze eigenlijk niet verbaasd. „Hij verzamelde altijd al de slakjes uit de tuin.” Vooruit, maar deze giganten? „Het was even wennen, maar eigenlijk zijn ze vooral gewoon heel erg schattig.”

Justus aait zijn favoriete slak over zijn huisje, houdt zijn wijsvinger zachtjes tegen een van de voelsprieten aan. Het dier lijkt het allemaal best te vinden. Op school is hij misschien de enige met slakken, maar Justus staat niet alleen. De reuzenslak is in Nederland bezig aan een bescheiden opmars – en niet alleen als huisdier.

Een kleine obsessie

De Slakkenshop, ’s lands enige handel in Afrikaanse reuzenslakken, is geen winkel. Het is een appartement in Rotterdam-Noord. Binnen zit Dick Jacobs (62) op plastic tuinmeubilair televisie te kijken, omringd door glazen terraria, petje op zijn kale kop. De Slakkenman wordt hij genoemd.

Hij is er een beetje ingerold. Van een vriend kreeg hij een jaar of vier terug zo’n slak. In Nederland was er nog maar weinig over bekend, hij las zich in op Duitse sites. Een hobby groeide uit tot een kleine obsessie, zoals dat gaat bij hem: vroeger hield hij reptielen, een tijdlang schilderde hij alleen maar naakten. Nu kweekt hij een tiental subsoorten van de reuzenslak. Van enorme, tropische tijgerslakken met hun puntige huizen als alikruiken, oorspronkelijk uit Ghana, tot sierlijk witte albino’s. Het appartement staat, met 39 terraria met elk tientallen slakken, redelijk vol.

De lol ervan? „Het is misschien geen rondspringende hond, maar ze zien er leuk uit”, zegt hij. „Je kunt ze oppakken. En ze rennen niet weg.” Zijn klanten? Vooral ouders met jonge kinderen. Hij heeft geregeld slakken verkocht aan mensen met een kind met ADHD. „Die worden heel rustig van deze beestjes.”

Ze zijn onderling ook best sociaal, zegt hij, die slakken. Ze doen elkaar geen kwaad, hangen graag rond in een groepje. „En ze vinden het heerlijk als je ze doucht met de plantenspuit of even onder de kraan houdt.” Kunnen ze denken dan? „Nou, zover zou ik nou ook weer niet willen gaan. Bijzonder zijn ze wel.”

Daar is Ton de Winter, slakkenonderzoeker van Naturalis, het mee eens. „Ze knuffelen bij de paring, keren terug naar hun favoriete plekje, kijken duidelijk rond met hun oogjes. We herkennen daar graag menselijke eigenschappen in.” Slimmer dan een goudvis dus? „Volstrekt onvergelijkbaar.”

Een vetpot is het niet, de slakkenhandel. Al verkoopt Jacobs er de laatste tijd steeds meer, bijna elke week wel één, veel meer dan enkele honderden liefhebbers zijn er niet in Nederland. Het blijft meer hobbyisme dan big business. Een babyreuzenslak kost een paar euro, een puber misschien een tientje. Voor een volgroeid exemplaar, dat duurt een jaar of vier, betaal je zo’n 60 euro.

Jacobs verstuurt ze dan per post: doosje, flinke laag mos, heatpack erin (het blijft een tropisch dier), slak erbij en gaan. Maar niet in de winter, dan wordt het te koud voor ze.

In zijn keuken staat nog een terrarium, vol met kleine slakjes. Helix pomatia, legt Jacobs uit: wijngaardslakken. Escargots. Die kweekt hij voor zichzelf. Voor de lekker. „Bouillonnetje, kruidenboter, heerlijk.” Zijn reuzenslakken eet hij dan weer niet. „Maar vergis je niet, het gebeurt heel veel. In Afrika, maar ook hier.”

Afrikaanse escargots

Dikke kans dat je ooit weleens een reuzenslak gegeten hebt. Niet dat je je daarvan bewust was – deze Afrikaanse giganten worden in Nederland verkocht als Franse escargots. „Als je over deze slakken wilt schrijven dan is dít het verhaal, natuurlijk”, zegt slakkenboer Lennard ter Hall van kwekerij Slow Escargots. „Het is pure oplichterij wat er hier gebeurt.”

Want reuzenslakken groeien als kool, en ze zijn veel goedkoper dan wijngaardslakken. Veel slak voor weinig geld. „Maar het beest smaakt nergens naar”, zegt Ter Hall. „Eén bonk vocht. Om dat te maskeren doen we er zo’n be-la-che-lijke berg kruidenboter overheen.”

Fabrikanten vullen uitgekookte huisjes van wijngaardslak met jonge reuzenslakken, of stukjes van een ouder exemplaar. De Keuringsdienst van Waarden wijdde er een hele uitzending aan.

Dick Jacobs, de Slakkenman, kweekt niet voor de horeca, zegt hij: „Die haalt ze uit Oost-Europa.” Maar hij verkoopt zijn slakken wél voor hun derde populaire toepassing: wellness. Hij lacht. „Laatst was hier weer zo’n dametje, Russisch was ze geloof ik, die wilde ze gebruiken in haar schoonheidssalon.”

Tegen pigmentvlekken

Kapsalon Beautyhart is een brandschoon zaakje in Zoetermeer. Je komt er om geknipt te worden of je nagels te laten doen, of gewoon om een kopje koffie te drinken. Eén deel van de salon is afgeschermd met luxaflex en een Japans kamerscherm.

Dit is het werkterrein van de Oekraïense Jana Pavaova (37): een behandeltafel met felroze sprei en een terrarium vol slakken.

Ze is er vier maanden terug mee begonnen. Ze wilde af van de pigmentvlekken op haar gezicht. Ze klaagde erover tegen haar zus in Oekraïne. Waarom probeer je het niet met slakken?, vroeg die. Zo kwam ze bij Dicks Slakkenshop terecht. Ze kocht er zes, die zich inmiddels hebben vermenigvuldigd tot veertig. „Kijk.” Ze wijst op haar gezicht. „Helemaal weg.”

In Rusland en Oekraïne is het een bekende therapie, net als in Japan en Korea: reuzenslakken over je huid laten kruipen. Hun slijm zou een helende werking hebben, oudersverschijnselen voorkomen, werken tegen acne en huidverkleuring, wondjes sneller helpen genezen. De slakken zouden zelfs mee-eters wegzuigen.

Er zijn, ook in Nederland, verschillende dure crèmes verkrijgbaar op basis van slakkenslijm. Pavaova: „Het wordt zelfs gebruikt als behandeling brandwonden.” Bij brandwondencentrum Beverwijk weten ze van niets, zegt een woordvoerder. Volgens Ton de Winter van Naturalis is er geen wetenschappelijk bewijs voor de heilzame werking. „Volkswijsheid”, zegt hij. „Vroeger kon je in Duitse apotheken slakkenslijm krijgen om mee te gorgelen. Tja.”

Een uurtje slakken bij Jana Pavaova kost 25 euro. Mensen hebben vaak wat schroom in het begin, maar de meesten komen terug voor meer. Door mond-tot-mondreclame begint het inmiddels te lopen. Deze ochtend heeft ze al twee afspraken achter de rug, maar nu is de agenda leeg.

„Waarom probeer je het zelf niet?”, vraagt ze.

Even spelen met de slakken van Justus, oké, maar ze drie kwartier over mijn gezicht laten glibberen?

„Het is echt héél goed voor je.”

Maar...

„Er was hier laatst een meisje, dat vond het ook heel vies. Trillende handen had ze. Zij deed het ook.”

Vooruit dan.

Pavaova tilt behoedzaam vier slakken uit het terrarium, twee groot, twee klein. Ze wast liefdevol de aarde eraf in de spoelbak van een kappersstoel. „Ga maar lekker liggen.”

Ik krijg een haarnetje op. Eén voor één plaatst ze de slakken op mijn gelaat. Wat zijn ze zwaar! En koud! En nat! „Wist je dat slakken één tandje hebben?” Dat voel je echt wel als je ze over je voorhoofd hebt kruipen. Alsof iemand met een pinknagel heel zachtjes over je huid schraapt. Jana lacht. „Daarmee halen ze de dode huidcellen weg.” (Het is geen tandje, maar een soort tong, legt Ton de Winter later uit: een membraan met daarop honderden kleine tandjes.)

Af en toe deelt Jana een zacht tikje uit op de voelspriet van een slak. „Dan schrikken ze, en komt er extra veel slijm uit.”

Friemelende voelsprieten

Vanuit mijn ooghoeken zie ik de wazige gedaantes, friemelende voelsprieten als wuivend gras. Ze bewegen vertederend sloom. Na een kwartier zijn mijn neus, wangen en voorhoofd bedekt met een stevig laagje.

Ik ga hier niet liegen: ontspannen is het wel. De spieren in de voet, het lijfje buiten het slakkenhuis, verplaatsen constant de druk, dat is hoe ze vooruitkomen. Het voelt als een micromassage. Je vergeet vanzelf dat het natte weekdieren zijn die een slijmspoor over je gezicht trekken.

„Lekker, hè?”, zegt Jana. „Wacht, ik zet er even één op je lippen. Alsof iemand je een kusje geeft. Worden ze heel zacht van.” Ik houd mijn lippen stijf op elkaar. Sky Radio zoemt op de achtergrond. Af en toe sluit ik onwillekeurig mijn ogen. Na een half uur haalt Jana de slakken weg. Even wachten tot het slijm droog is. „Het wordt een soort maskertje.” Dat veegt ze eraf met een nat doekje.

Ik kijk in de spiegel. Mijn huid glimt vervaarlijk. De slakken gaan terug. Na een behandeling mogen ze 24 uur rusten. Kunnen ze slijm aanmaken voor een nieuwe werkdag.