Ervaring in de media is een pré

De laatste maanden verschenen liefst vier literaire boeken van bekende mediagezichten. Twee ervan zijn sterk autobiografisch getint, één is een twijfelgeval. En er is één boek waar je mond bij veel scènes van open valt.

Illustratie Nanne Meulendijks

De onderscheidingsdrift van de jonge rijken in Bret Easton Ellis’ American Psycho nam vele vormen aan. Die had het mooiste visitekaartje, die het mooiste pak, die de mooiste schoenen. Het summum was echter het bemachtigen van een reservering in het New Yorkse restaurant Dorsia. Maar hoewel Patrick Bateman en de anderen daar een moord voor zouden plegen, was het in de meeste gevallen al volgeboekt, afgeladen met mensen die nog net even wat meer status hadden dan zij.

Een boekcontract bij een groot uitgeefhuis moet voor de aspirant-schrijver zijn wat een tafeltje in Dorsia was voor een patser uit de jaren tachtig: begeerd maar in vele gevallen onbereikbaar. Al worden er nog steeds veel boeken uitgegeven, er zijn er nog veel meer die níet worden uitgegeven. Wat hielp bij het binnenkomen bij Dorsia lijkt ook te helpen bij het binnenkomen bij een uitgeefhuis: een bekend gezicht. Of in loopbaantaal: ervaring in de media is een pré. Zo zijn er in de aanbiedingsfolders van uitgeverijen opvallend veel titels te ontdekken die geschreven zijn door mensen die elders hun sporen verdienden.

Vaak komen zij uit de hoek van de schrijvende en audiovisuele pers: Rick Nieman debuteerde (Altijd Viareggio), Thierry Baudet waagde zich aan fictie (Voorwaardelijke liefde), Leon Verdonschot leverde een roman af (Alles van elkaar), terwijl in Vlaanderen ex-nieuwslezer Bavo Claes een roman (Vijftig) uitbracht waarin het ‘wemelt van de blote vrouwen’, zoals de Volkskrant signaleerde. Dat werk was zo schunnig en stond zo haaks op Claes’ keurige tv-voorkomen dat men er snel van overtuigd raakte dat men met onversneden fictie van doen had.

En nu zijn er in korte tijd vier BN-boeken bijgekomen, een verhalenbundel van de dit jaar overleden zanger Thé Lau en drie debuutromans van zanger en acteur Thomas Acda, actrice en scenarioschrijfster Kim van Kooten en van journaliste Margriet van der Linden. Met Van der Lindens vermogen een onbetrouwbare verteller te creëren zat het wel goed, zo vermoedde ik, want ik heb nog lang moeten kauwen toen ik verklaarde mijn schoen op te eten als zou blijken dat niet een ander maar zíj de Mol was in het tv-programma van de publieke omroep.

Soundmix-showeffect

Maar in De liefde niet lijkt Van der Linden niet erg ver van haar eigen autobiografie te zijn afgeweken. Net als Acda overigens. Hun romans laten zich vergelijken met een omgekeerd Soundmixshow-effect. Ze stappen als Bekende Nederlander in het toverei, met als doel er aan de andere zijde geanonimiseerd weer uit te treden. Acda schrijft over een zanger en acteur, die ooit de helft was van een bekend duo, en Van der Linden schrijft over ‘M’ (zonder het in romans gebruikelijke puntje achter die letter), een vrouw die opgroeit in de jaren zeventig en tachtig in een strenggelovig milieu, die ontdekt lesbisch te zijn en journaliste wordt.

De waarde van deze twee romans is gemiddeld. Acda’s personage zit met zichzelf in de knoop, at en dronk jarenlang meer dan goed voor hem was en begint aan een roadtrip door Amerika. De verteltechniek is innig van aard, het personage richt zich geregeld direct tot de lezer. ‘Je kent mij’, staat er dan. ‘Dat kan niet anders.’ Helaas wordt er te vaak van uit gegaan dat we reeds van alles op de hoogte zijn wat er in dat leven allemaal is voorgevallen – ik had in elk geval vaak geen idee waar naar werd verwezen. Een klein literair greepje is er wel in Onderweg met Roadie te ontwaren: de zanger en acteur, die eigenlijk gewoon een eenvoudige boerenlul uit Brabant is die toevallig ster is geworden, loog lange tijd alles bij elkaar, dus waarom zouden we hem nu als romanverteller wél vertrouwen?

Van der Linden kan aardig schrijven, maar ze heeft zich met een coming-of-age-roman van krap vierhonderd bladzijden een wel erg ambitieus doel gesteld. In anderhalf jaar klapte zij dit relaas er uit – veel professionele schrijvers kunnen nog een punt zuigen aan zo’n tempo –, waarin weinig niet-benoemd wordt. Alles wat u ooit over M wilde weten, maar wat haar in interviews niet werd voorgelegd, staat erin vermeld, wat vooral een beeld oplevert van de cultuur in de beschreven decennia. Erg intiem wil het ondanks de lengte echter niet worden. Bands, films, en merken komen langs, maar het dieptelood bereikt M’s ziel of beleving niet.

Hele diepe dalen

Raadselachtig zijn ook de motto’s in de romans van Acda en Van der Linden. De eerste citeert Carly Simons ‘You’re so vain, you probably think this song is about you’, wat volgens mij alleen maar ergens op zou kunnen slaan als Acda zijn eigen roman zou lezen. Voorin Van der Lindens boek merkt feministe Rita Mae Brown op dat ‘de enige beloning voor conformisme is dat iedereen je mag, behalve jijzelf’, terwijl M daarna toch niet door hele diepe dalen gaat als zij haar seksuele geaardheid (te) lang moet verzwijgen. Ze laat zich juist lezen als een opgeruimde jonge vrouw, ondanks het gebrek aan maatschappelijke acceptatie.

Dat non-conformistische zien we dan wél bij Thé Lau. De grote vakantie is een bundel met tien verhalen, met in sommige daarvan duidelijk de persoonlijke toets van Lau, en in andere een meer losgezongen, fictieve toon en setting. Het openingsverhaal, het kleinood ‘Instant Karma’, is indrukwekkend, met een muzikant die terugblikt op die keer dat hij samen met twee andere vakgenoten in een oefenruimte zat te spelen. Alles was nog goed toen, maar intussen is Steiger, ‘saxofonist met het lichaam van een os en de toon van een engel’, aan het ruige leven bezweken, terwijl het ook voor de verteller niet lang meer zal duren. Een paar pagina’s voorbereiding heeft Lau maar nodig om de slotregels als een dreun te laten aankomen: ‘Karma. Je missie is nu wel ten einde, toch? Ik smeek je mijn vrouw vrede en geluk te geven.’

Er mag sowieso wel meer gesmeekt worden in de Nederlandse literatuur. Het is een teken van temperament, van karakter. Lau’s verhalen hebben met elkaar gemeen dat ze verbeelding ademen. In ‘Paalhut’, een verhaal dat doet denken aan de jeugdverhalen van Johnny van Doorn, schrijft hij over twee levenslustige jongens die fanatiek cowboytje en indiaantje spelen totdat een ervan afhaakt (vanwege een meisje natuurlijk) en de ander verontwaardigd volhardt in zijn fantasie door te stellen dat hij een ‘edele wilde’ is. Liet Rousseau zich in zijn denkbeelden te veel aansteken door infantiele mijmeringen? In een ander verhaal draagt een dichter dusdanig opruiend een gedicht voor dat een toehoorder daardoor zijn vrouw vermoordt.

Wie het er het best van af heeft gebracht is Kim van Kooten. En dat overvalt je nogal, want wie op de omslag van haar roman afgaat meent aanvankelijk een boek in handen te hebben dat niet alleen óver een vijfjarige gaat, maar dat ook voor vijfjarigen lijkt te zijn geschreven. Voorop staat een plaatje dat in zo’n ouderwets poëzie-album (poessie-album) te vinden was, en achterop zien we Van Kooten knuffelen met Pauline Barendregt, de vrouw wier levensverhaal gebruikt werd voor Lieveling.

Kasteel

‘Lieveling’: bij zo’n mierzoete titel springt je het glazuur van de tanden, maar verder kom je ook niet met je vooroordelen, want het is een boek dat zich kan meten met de beste romans van Esther Gerritsen (die je met ogenschijnlijk onschuldige titels als Superduif of Roxy ook al op het verkeerde been zet). In haar romandebuut, dat afgelopen week binnenkwam op plek één in de Bestseller 60, geeft Van Kooten het woord aan Puck, een vijfjarig meisje dat samen met haar moeder bij een puissant rijke man intrekt, in een huis dat een ‘kasteel’ wordt genoemd. Gaandeweg kom je erachter dat het de man niet om de moeder te doen is, maar om Puck.

De hoofdstukken waarin het seksueel misbruik ontluikt zullen niemand onbewogen laten, maar Puck is meer dan alleen een slachtoffer geworden. Wat goed naar voren komt is hoe zij gecorrumpeerd raakt; haar stiefvader houdt er geraffineerde technieken op na om ervoor te zorgen dat niet hij, maar Puck zich verantwoordelijk voor het misbruik voelt.

Van Kooten zit Puck bovenop de huid en je kunt niets anders concluderen dan dat dit kind langzamerhand kapot gaat. Puck is de verteller en je kunt je afvragen of een kind van vijf al over de taal beschikt die haar is toebedeeld, maar verder zijn er weinig zwakke punten. De dialogen zijn strak en erg doeltreffend en er staan tal van scènes in waar je mond van openvalt.

Maar het bewonderenswaardigste is Van Kootens vermogen om haar tekst zo op te dienen dat je geleidelijk aan überhaupt geen heil meer ziet in volwassenen die het goede doen als het om kinderen gaat. Eerst is het alleen die stiefvader, maar er komen steeds meer daders bij. Als men eindelijk doorheeft dat Puck misbruikt is, presenteren haar moeder en haar oma zich als slachtoffer, in plaats van de hand in eigen boezem te steken. ‘„Ik kan er wel mee janken. Als ik dat had geweten,” zegt mijn moeder. „Je kon het niet weten,” zegt oma Crooswijk. „Hoe had je dat moeten weten dan?” Mijn moeder maakt een brullend geluid en rent de kamer in. Ze stort zich boven op me. Oma Crooswijk draait zich naar dokter Kuipers en dokter Gijs en zegt: „Het is net als in de oorlog. Met de Joden. Niemand vertelde je wat. Ik wist van niks.”’ Een wolf in schaapskleren dus, dit Lieveling.