‘De vertaler moet onzichtbaar zijn’

Babet Mossel krijgt de Martinus Nijhoff-prijs. „Bij Charlotte Bröntes ‘Jane Eyre’ werkte ik vaak een hele dag aan één zin.”

Wie Babet Mossel vraagt naar de belangrijkste eigenschap van een vertaler, krijgt een stuk of wat antwoorden, maar die zijn samen te vatten in één woord: dienstbaarheid. Een vertaler die tussen schrijver en boek gaat staan is haar een gruwel. Het gaat erom, en dat is het allermoeilijkste zegt Mossel, de sfeer en stijl van een roman getrouw weer te geven in natuurlijk Nederlands. En nooit in te grijpen in het werk van de schrijver, zoals zinnen parafraseren, of lange zinnen opknippen omdat de moderne lezer die niet meer zou willen lezen. De vertaler moet onzichtbaar zijn. Hij moet zeker niet met naam en al op het boekomslag prijken.

Vertaalster Engelstalige literatuur Babet Mossel (1948) is al 25 jaar dienstbaar aan schrijvers als Philip Roth, André Aciman, Vikram Seth en Charlotte Brontë. Ze wordt vandaag bekroond met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2016. Volgens de jury beschikt ze „over het vermogen om voor elke schrijver en bij elk boek de passende Nederlandse stijl en toon te vinden”. Het resultaat is een „volkomen overtuigende Nederlandse literaire tekst” waarbij niets van de waarde van het oorspronkelijke werk verloren is gegaan, aldus de jury.

Een van Mossels eerste belangrijke opdrachten was Sabbaths theater (1995) van Philip Roth, een auteur die ze vaker zou doen. Ze werd met Sabbaths theater „meteen in het diepe gegooid”. Toen Roths vertaalde oeuvre later naar De Bezige Bij verhuisde, herzag ze de vertaling grondig. „En nu zou ik het wel een derde keer willen herzien. Niet omdat die eerdere versies zo beroerd zijn. Maar destijds was ik nog wat onervaren en dus vrij onzeker. Nu beschouw ik deze roman als het culminatiepunt van zijn oeuvre, stilistisch en thematisch.” Dat zit hem in de virtuoze taal, in de humor, in het samenkomen van al zijn grote thema’s, en in het „vileine maar wanhopige” hoofdpersonage Mickey Sabbath.

Mossel heeft een intense verhouding met elk boek waaraan ze werkt. En die is zo persoonlijk dat ze geen haastklussen aanneemt, en niet graag met anderen samenwerkt. Dat heeft ze wel gedaan. Zo vertaalde ze samen met twee collega’s in recordtempo Donna Tartts The Little Friend (2002). „Soms deed ik wel 16 pagina’s per dag. Het was geen moeilijke vertaling, ik zat vaak te swingen achter mijn beeldscherm. Maar zo’n tempo komt een vertaling zelden ten goede.”