Ben Bot blijft de diplomaat

De oud-minister van Buitenlandse Zaken en oud-diplomaat haalt zeven decennia herinneringen op en schuwt de ‘petite histoire’ niet. Europa is de rode draad.

Ben Bot wordt als minister van Buitenlandse Zaken begroet door de Syrische presidentAssad in Damascus, 12 december 2006 Foto AFP

Ministers en memoires; het blijft in Nederland een schaarse combinatie. ‘Wie zit daar nu op te wachten’, is het veel gehoorde argument van potentiële auteurs. Minder hardop uitgesproken wordt het politieke argument. Het Nederlandse coalitiesysteem is niet gebaat bij al te veel openhartigheid van hoofdrolspelers.

Alleen daarom al verdient oud-minister en oud-diplomaat Bernard Bot lof dat hij het wél heeft aangedurfd zeven decennia herinneringen aan het papier toe te vertrouwen. ‘Omdat’, zo schrijft hij in de proloog van zijn boek Achteraf bezien ‘geschiedenis haar waarde heeft, misschien ook nieuwe inzichten biedt en mensen in staat stelt het heden en de toekomst beter te beoordelen.’

Voorwaarde is wel dat een interessant leven beschreven wordt, maar afgaande op zijn CV kan Bot op een dergelijk leven terugkijken. Allereerst de voor zoveel mensen uit zijn generatie – hij wordt morgen 78 jaar– door de oorlog getekende vroege jeugd: met moeder en zijn twee jongere zusjes zat hij in een interneringskamp op Java, nadat zijn vader als krijgsgevangene naar Birma was overgebracht. Dan een diplomatieke carrière die hem onder meer in Argentinië, Oost-Duitsland, Turkije en bij de Europese Unie in Brussel bracht. En tenslotte, toen hij al gepensioneerd was, minister van Buitenlandse Zaken.

Genoeg dus, om zoals Bot schrijft, ‘de stromingen die hem hebben meegevoerd te analyseren’ en na te gaan ‘waar we ze goed hebben ingeschat en waar we in de fout gingen.’ Hij zag van nabij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) van zes landen zich ontwikkelen tot een Europese Unie van 25 lidstaten. Als tweede man op de Nederlandse vertegenwoordiging bij de NAVO in Brussel maakte hij midden jaren tachtig de laatste restjes Koude Oorlog mee. In zijn hoedanigheid van minister van Buitenlandse Zaken zat hij in twee kabinetten Balkenende en was hij medeverantwoordelijk voor het uitzenden van militairen naar Uruzgan in Afghanistan.

Damascus

Bot beschrijft het allemaal volgens een strak chronologische lijn. Het grootste deel van zijn leven zat hij op het ministerie van Buitenlandse Zaken. De klassieke, door periodieke overplaatsingen beheerste loopbaan van een diplomaat vormt zodoende de opbouw van het boek. De lezer groeit mee met de ontwikkeling van Bot. Hoe hij begin jaren zeventig in zijn jonge jaren aankomt op de ambassade in Buenos Aires (‘De sfeer was er ontspannen, het tempo lag bepaald laag en veel prestatiedwang was er evenmin’) tot hoe hij als minister van Buitenlandse Zaken in de Syrische hoofdstad Damascus met president Assad onderhandelt over de vrijlating van twee door hun vader naar dat land ontvoerde kinderen (‘De grande finale bleef tot het einde toe spannend.’).

Bot schuwt gelukkig de petite histoire niet. Zoals zijn beschrijving over de nadagen van Nederlandse NAVO secretaris-generaal Joseph Luns die in 1983, zo vonden velen bij het militair bondgenootschap, toch echt wel zijn langste tijd had gehad. ‘Het was inmiddels voor iedereen duidelijk geworden dat Luns zijn houdbaarheidsdatum al enige tijd had overschreden.’ Luns moest het in Bots herinnering hebben van zijn intuïtie en jarenlange ervaring, want hij was lui, las zijn stukken niet en viel regelmatig in slaap bij de bijeenkomst van NAVO-ambassadeurs die hij wekelijks voorzat. Toen hij in 1984 eindelijk vervangen kon worden door de Brit Lord Carrington bleef Luns dagelijks het NAVO-hoofdkwartier in Brussel bezoeken om zijn opvolger ongevraagd van advies te dienen. Aan Bot om Luns de ‘pijnlijke boodschap’ over te brengen dat Carrington hier niet van gediend was. ‘Gepikeerd als hij hierdoor was, beende hij nog enige tijd demonstratief voor de hekken van het hoofdkwartier heen en weer totdat hij begreep dat hij zichzelf daarmee volstrekt belachelijk maakte’, aldus Bot.

De rode draad door Bots carrière is Europa. Hij begon in 1964 als medewerker bij de Nederlandse Europese permanente vertegenwoordiging in Brussel; de laatste tien jaar van zijn loopbaan stond hij aan het hoofd van dezelfde fors uitgebreide Nederlandse missie. Met zoveel praktijkervaring plus zijn jaren als minister van Buitenlandse Zaken waarbij Nederland een half jaar fungeerde als roulerend voorzitter van de Unie had Bot wel wat meer analyserend en diepgravender over de Europese Unie kunnen schrijven. Bot kiest echter voor de zijlijn en beperkt zich tot kanttekeningen. In zijn memoires laat vooral de diplomaat Bernard Bot zich horen. Er is veel voldoening en tevens veel dankbaarheid. Het was de scherpte ten goede gekomen als hij zich iets meer als politicus had laten gelden.