Voor vuilnismannen, studenten en opa’s

Café Le Carillon, waar vrijdag veertien mensen werden neergeschoten, was een huiskamer voor de hele buurt.

Je kunt je afvragen waarom mensen überhaupt hun vrijdagavond in Le Carillon zouden willen doorbrengen. Ook zonder kogelgaten oogde het cafeetje op de hoek van de Rue Alibert en de Rue Bichat al jaren alsof de houdbaarheidsdatum lang verstreken was. De verf bladderde van de gevel, de nu gesloten gordijnen kleurden vijftig tinten rood en de ongelijke zonneschermen hingen steevast op half zeven. Maar geen van de vrijdag door terroristen aangevallen etablissementen in Parijs had zo’n trouwe maar diverse klantenkring als juist deze onooglijke bar.

„Overdag kon je hier rustig werken, ’s avonds begon het feest”, zegt de 23-jarige Marek Zaorski, die een paar dagen na de aanslag de bloemenzee bekijkt. De bloedvlekken die zaterdagochtend nog te zien waren, zijn nu bedekt met vele wensen en kaarsjes.

De ochtend, zeggen de habitués, was er voor de vuilnismannen en moeders die hun kinderen hadden weggebracht. De middag was voor studenten en opaatjes uit Noord-Afrika. De avond, die was voor de bierdrinkers. Toeristen kwamen nauwelijks. Le Carillon, mijmert een buurtbewoner, was „het ultieme dorpscafé in de grote stad”.

Familie voor de stedeling

Le Carillon was „als een huiskamer voor me”, zegt de 29-jarige Erwan Le Gal. „Bijna iedereen kende elkaar.” Op Facebook schreef hij een lange ode, die honderden keren gedeeld werd. Over de huiskat, die het schopte tot een boek over cafékatten, en over de happy hours, „afhankelijk van het humeur van de patron”.

Toen hij als student naar de grote stad kwam, had hij nauwelijks contacten, vertelt hij in een belendend restaurant. Het appartementje dat hij hier in het tiende arrondissement vond, was minuscuul. Het was een van de redenen dat hij zoals iedere Parijzenaar snel zijn ‘QG’ koos, zijn quartier général. „Het voelde alsof ik weer deel uitmaakte van een familie. Acht jaar van mijn leven heb ik hier doorgebracht.”

„De stoelen waren soms doorgezakt, de banken waren compleet aan barrels, de wijn prikte een beetje, de rum maakte je dronken in twee minuten en de toiletten sloten niet meer”, schrijft Le Gal liefdevol. „Het was niet erg schoon, het was niet erg vies”, herinnert een journalist van L’Obs zich. En waarom op het linker zonnescherm ‘Le Carillon’ staat en op het rechter ‘Le Ca Rillon’? Dat weet niemand. „Een tikfoutje”, denkt Le Gal. „Maar het gaf weken gespreksstof.”

Le Gal steekt de ene sigaret met de andere aan. Door een gelukkig toeval was hij niet in zijn stamkroeg vrijdagavond. „Ik had met vrienden afgesproken uit te gaan, maar eerst in Le Carillon nog een paar glazen te drinken. We hebben dat op het laatst afgeblazen.” Hij toont een appje. Om 21.22 uur schrijft hij de vrienden dat hij bij zijn huis, tegenover het café, in een taxi stapt. Volgens de Franse politie zouden de schutters om 21.25 uur bij Le Carillon arriveren en veertien mensen doodschieten. „Ja”, zegt hij. „Ik heb geluk gehad.”

Instituut van de wijk

Le Carillon was een instituut, al generaties lang. Naarmate de wijk veranderde, veranderde ook het publiek. Maar niet al te veel. Het café, met vijf etages hotel erbovenop, ging open in 1906, toen het hier nog een echte arbeidersbuurt was. In 1975 werd het overgenomen door de familie Hadjem, die na de Algerijnse oorlog naar Frankrijk was uitgeweken. Het hotel werd lang gebruikt door alleenstaande mannen uit de Magreb, die bij de bedrijven in de buurt werk zochten. Nu is het al jaren dicht, niet meer van deze tijd. De familie Hadjem bewoont de vele kamers.

De gentrificatie rukt op. En daarmee stijgt de prijs van het bier. Alleen bij Le Carillon, de laatste jaren gerund door de 75-jarige Amokrane Hadjem – ‘Papi Amo’, voor intimi – deed een glas nog 2,50 euro. Met journalisten praat hij niet. Een neef legt in de deuropening van het hotel uit dat het „best zwaar is om het café in je huis in een oorlogszone te zien veranderen”.

„De drank was goedkoop en dat trok het meest gemêleerde publiek dat je je kunt voorstellen”, zegt de 27-jarige arts en stamgast Jérémy Zeggagh. Hij spreekt bewust in de verleden tijd, zegt hij. Want als het ooit nog open gaat, dan weet hij niet of hij er nog heen durft. Le Gal: „Jongeren afkomstig uit alle mogelijke verschillende milieus, die bij een café met liberale Algerijnse eigenaars zoveel drinken als ze willen. Dat kon natuurlijk niet.”