Column

Naar Ameland

De laatste tijd moet ik denken aan een uitspraak van schrijfster Anaïs Nin, dat we de dingen niet zien zoals ze zijn, maar zoals wij zijn. Ik heb dat, vrees ik, in extreme mate. Mijn zus droeg bijvoorbeeld eens oorbellen met lange zwarte veren. „Wat leuk”, zei ik mat, „Kraaienveren”. Een jaar therapie, medicatie en drie maal per week sporten later zag ik deze oorbellen opnieuw. „Wat leuk”, zei ik, „Merelveren!” Zo lijkt een boom op slechte dagen een struik op een steeltje, en op goede dagen een maniakaal wuivende hand van hout.

Afgelopen week merkte ik dat mijn blik op de wereld sterk gekleurd was door de aanslagen. Door haar zwart-witte vlekken leek de berk van de buren opeens een PLO-sjaal te dragen. Als het licht in de metro knipperde, dacht ik dat er een bom zou afgaan. Vroeger dacht ik bij haperende lampen, dat het licht gewoon een beetje met me flirtte. Mijn associaties gingen met me aan de haal, overal zag ik dood en verderf. Zelfs het vermijden van computer en tv hielp niet meer. Er was nog maar één oplossing mogelijk. Ik pakte mijn koffer. Op naar Ameland.

De heenreis was zwaar. Iedere rugzak in de trein bevatte een bom. De veerpont was een boot die de Styx overvoer. Bij het duin stond op een bordje: ‘Niet betreden. Kustverdediging’. In mijn hoofd was Ameland al half gemobiliseerd.

Nee, dacht ik. Probeer neutraal waar te nemen. Het geknisper van regen op je jack. Tongroze schelpen. Ik groette de mensen die ik onderweg tegenkwam. Je bent op Ameland eerder geneigd om onbekenden te groeten dan in de stad. Op een eiland worden onbekenden veel sneller bekenden. Ik begon me al iets beter te voelen.

Een reiger vloog over. Zijn hals had dezelfde klunzige kromming als die van een fles wc-eend. Ik grinnikte bij de gedachte dat de reiger daarmee gepest zou worden door zijn medevogels. Ik zag de klokkentoren van Nes. De grote wijzer liep wijd uit naar de punt, als een vuist. Uit die vuist stak een soort lat, die het uur aangaf. Maar van veraf leek het alsof de grote wijzer zijn middelvinger opstak. Naar de tijd!

Ik moest lachen, en bedacht me opgelucht dat ik de wereld weer op mijn eigen absurde manier begon te zien. Ik zag een chagrijnige toren, in plaats van een raketdoelwit!

Ik liep een paadje in. ‘Vermanningspad’, las ik. Wauw! Na herlezing bleek er helaas toch ‘Vermáningspad’ te staan (aan het eind van de weg stond de Doopsgezinde kerk), maar het maakte niet meer uit. Mijn hoofd klaarde alweer op. De wereld die ik zag, werd weer van binnenuit bepaald. Ameland. Ik kan het iedereen aanraden.