Moet koud worden gegeten: wraak

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Staatshoofden die wraak zweren, uitspreken dat we in oorlog zijn en genadeloos zullen terugslaan, een burgemeester die zegt dat we 50.000 terroristen moeten wegvagen – we hadden de afgelopen dagen niet alleen te maken met extreem geweld, maar ook met extreem taalgebruik.

Ik kan me niet heugen dat ik in West-Europa ooit zulke krachtige oorlogsretoriek heb gehoord. Wel aan de borreltafel natuurlijk („Waarom gooien we geen atoombom op ISIS? Allemaal doodschieten die gasten!”), maar staatshoofden die zwaarbeladen woorden als wraak en oorlog gebruiken, voeden de angst en spelen terroristen daarmee in de kaart.

Alles wijst erop dat ISIS een oorlog tussen religies wil ontketenen, en als we niet oppassen gaat ze dat nog lukken ook.

Vorige week kondigde ik in deze rubriek het slot aan van een korte serie over spreekwoordelijke etenswaren. In het licht van de afgelopen dagen zal ik maar beginnen met een gerecht dat volgens een volkswijsheid koud moet worden opgediend: wraak. De betekenis zal duidelijk zijn: wie wraak wil nemen, moet het hoofd koel houden, anders brand je je vingers.

Deze zegswijze wordt vaak aan Joseph Goebbels toegeschreven, maar werd al gebruikt in de 19de eeuw. Ik vond het oudste voorbeeld in een krant uit 1893, in een vertaling van een Frans feuilleton: „De haat is geduldig, en de wraak is, zegt men, een gerecht dat koud wordt gegeten.”

Goed, dan nu de rest van de spreekwoordelijke etenswaren. Mee uitkijken bij het bakken: olie op het vuur. Meestal een vervelende gast: oliebol. Iemand die geen deuk in een pakje boter kan slaan: zacht ei. Beleg waar je spijt van krijgt: helaas pindakaas. Fijn beleg: neus in de boter.

Krijg je niet van het drinken van gemeentepils of ganzenwijn: bierbuik. Wordt zelfs een melkmuil stoer van: stierenmelk. Hebben veel mensen last van, naar verluidt vooral oude taarten en oude besjes: spraakwater. Komt niet vaak voor: wijnvlek.

Geregeld verpakt per zes: lariekoek, kletskoek en lulkoek. Niet erg populair: een koekje van eigen deeg. Juist wel populair want gaat erin als klokspijs: gesneden koek. Wordt niet graag gegeten: een galgenmaal. Ongezonde bereidingswijze: gaar smoren in je eigen vet.

Gezegd als afwijzend antwoord, aldus Van Dale, aan kinderen die telkens „ik wou liever, ik had liever” zeggen: lieverkoekjes worden hier niet gebakken. Voor kinderen die blijven zeuren (althans uit de tijd dat zwarte piet nog een roe bij zich had): billenkoek.

Tamelijk onsmakelijk, ook voor een kaaskop: tenenkaas. Ook vies: gruwelbrij. Onverteerbaar: letterbrij.

Het tegendeel van exclusief eten: eenheidsworst. Vervelend gezelschap: bal gehakt. Al te grappige tafelgast, dus zeker niet vet leuk: hansworst. Waar vleeseters, met name spekkopers, blij van worden: spekkie voor je bekkie. Waar viseters blij van worden: het neusje van de zalm.

Dagelijkse kost op het Binnenhof: Haagse bluf en gebakken lucht. Waar politici dit graag mee opdienen voor de camera: lawaaisaus. Hemelse etenswaar: manna. De aardse realiteit: zondig vlees. Begin van alles: oersoep. Huidige situatie in de wereld: linke soep.