Ik ben de man om wie een mist hangt

, cineast, bijna 93, heeft een roerig oorlogsverleden. Pas nu verschijnt er een boek dat hem definitief bijschrijft in de annalen van de filmgeschiedenis. „Ik maak de rekening op van mijn leven.” Door Merijn Rengers Foto David van Dam

Foto David van Dam

‘H

ad ik in moeten gaan op uitnodigingen uit Hollywood? Of meer in de buurt van Fellini moeten blijven, met wie ik begin jaren zestig in Rome intensief contact had? Was het beter geweest als ik mijn laatste film Nema Aviona za Zagreb (1967-2012) eerder af had gemaakt? En waarom ging ik altijd weer terug naar Amsterdam?”

Het zijn vragen waar filmer en documentairemaker Louis van Gasteren, die morgen 93 wordt, op een straf dieet van koffie, Kent-sigaretten en om half twaalf ’s ochtends een glas Campari met een schijfje sinaasappel erin, zich bijna dagelijks over buigt. Drugs neemt Van Gasteren – geroemd als chroniqueur van Amsterdam en de jaren zestig – niet meer, al ijvert hij nog wel voor de legalisering van lsd voor medische doeleinden.

Zondag presenteert Patricia Pisters, hoogleraar filmwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, een boek waarmee zij Louis van Gasteren definitief bijschrijft in de annalen van de Nederlandse filmgeschiedenis. Die eer valt normaliter te beurt aan overleden cineasten, maar Van Gasteren is er nog – in tegenstelling tot veel bekende naoorlogse collega-filmers.

De cineast maakte in zo’n zestig jaar tijd circa tachtig films en televisiereportages. Werken als Omdat mijn fiets daar stond (over politiegeweld in de jaren zestig in Amsterdam), Allemaal Rebellen (over de opstandige jeugd in het Amsterdam van de jaren 1955-1965) en Begrijpt u nu waarom ik huil? (waarin een door de oorlog getraumatiseerde ex-verzetsman een lsd-therapie ondergaat van psychiater Jan Bastiaans) hebben een plek gekregen in de canon van de Nederlandse film.

Reanimeer mij niet

Filming for the Future heet het boek, ook al is Van Gasteren de laatste jaren vooral bezig met terugkijken, vertelt hij in het pand aan de Kloveniersburgwal waar hij al ruim zestig jaar woont en werkt. Hij heeft zijn ‘reanimeer-mij-niet’-ketting demonstratief omgedaan. Als hij omvalt, is het mooi geweest. Gebeurt dat niet, dan rookt en werkt hij stug door.

„Ik zit nu in dit huis, en maak de rekening op van mijn leven”, zegt hij. „Als ik terugkijk, heb ik belangrijke films gemaakt, die blijvertjes zijn geworden. En dat ondanks mijn ouders, die mij vaak hebben dwarsgezeten. Mijn vader was acteur, maar bemoeide zich weinig met mijn opvoeding. Hij moest uitslapen na zijn optredens. Mijn moeder was zangeres, en raakte voor de oorlog in de ban van het communisme. Ik moest arbeiderskrantjes verkopen bij manifestaties en leren timmeren, omdat arbeiders ook veel timmerden. Dat mijn leraar er na vier timmerlessen met al mijn dure gereedschap vandoor ging en nooit meer terugkwam, daar wilde ze niets van weten.”

Wie met Louis van Gasteren over zijn films komt praten, raakt bedolven onder verhalen en anekdotes – over Afrika, over seks, over de Amsterdamse avant-garde en over mededogen. Maar uiteindelijk komt hij onvermijdelijk uit bij dat ene onderwerp: de Tweede Wereldoorlog, en zijn eigen rol daarin. Mensen om hem heen vinden dat hij het daarover, met de dood voor ogen, niet te veel moet hebben – maar dat lukt hem niet.

Dat komt door de zaak die onlosmakelijk met zijn leven en werk is verweven: de liquidatie die hij in 1943 pleegde op een Duits-Joodse onderduiker. In 1944 werd Van Gasteren vanwege die daad tot vier jaar cel veroordeeld, maar hij kreeg in 1946 op aandringen van ‘de Grote Adviescommissie der Illegaliteit’ gratie omdat het ombrengen van de onderduiker een verzetsdaad was geweest.

De onderduiker had met zijn opzichtige en provocerende gedrag Van Gasteren en andere leden van het verzet in gevaar gebracht – zo vertelde de documentairemaker in 1989 zelf in een interview, dat de opmaat vormde voor een tot op de dag van vandaag voortdurende discussie over de toedracht van de zaak.

Een aantal journalisten en schrijvers is ervan overtuigd dat de liquidatie geen verzetsdaad was, hetgeen leidde tot een aantal geruchtmakende processen en vonnissen – onder meer in de zaak tussen de cineast en columniste Pamela Hemelrijk. Die zijn allemaal achter de rug, maar de storm in Van Gasterens hoofd is niet meer gaan liggen. „Mijn herinneringen aan de oorlogsjaren zijn levendiger geworden. Ik ben er vrijwel dagelijks mee bezig. Natuurlijk zou ik met mijn vrouw Joke weer eens lekker naar de zon moeten, maar de oorlog houdt me te veel bezig”, zegt Van Gasteren. „Dat komt door mijn leeftijd, maar ook omdat de buitenwereld mij dwingt om mij te blijven verdiepen in deze zaak.”

Het eindoordeel over de zaak staat de waardering in Nederland in de weg, denkt hij. „De erkenning voor mijn films is er, en in het buitenland ben ik onomstreden. Maar hier in Nederland ben ik nog altijd de man om wie een mist hangt. Die mist heb ik niet veroorzaakt, en die verdien ik ook niet. Kijk maar naar de Universiteit van Amsterdam, die mij te controversieel vindt voor een eredoctoraat.”

Oude krantenartikelen

Hoogleraar Patricia Pisters diende dit voorjaar samen met een collega-hoogleraar een voorstel in voor een eredoctoraat voor Van Gasteren aan de Universiteit van Amsterdam. Dat zou een passend eerbetoon zijn aan de filmer, vond de hoogleraar. Maar Pisters ving bot.

Haar werkgever, de veelgeplaagde faculteit Geesteswetenschappen, had „geen zin in een nieuwe rel”, denkt Van Gasteren – en wees het voorstel af. „Patricia heeft een verzoek geschreven en dat ingediend bij de faculteit”, zegt Joke Meerman (71), sinds 1972 de partner van Van Gasteren. „Maar de mensen die moesten oordelen over het stuk klapten de laptops open en waren snel klaar. Niemand heeft zelf onderzoek gedaan. De verhalen op Wikipedia en in oude krantenartikelen zijn te heftig; de UvA wilde de vingers niet branden aan de zaak.”

„Het is een ontkenning van wat ik allemaal voor Amsterdam en de universiteit heb gedaan, verdomme”, zegt Van Gasteren. „Als lid van de Amsterdamse Filmliga haalde ik de mooiste films en regisseurs naar Amsterdam. Er waren eind jaren veertig 2.500 studenten lid. Die had ik zelf geworven door met een standje te gaan staan naast het gebouw waar nieuwe studenten zich moesten inschrijven.

De universiteit schuift dit terzijde, meent Van Gasteren. „ Ze heeft niet de morele moed gehad zich een eigen oordeel te vormen over mijn persoon. De UvA schaart zich hiermee achter de lasteraars; achter de mensen die over mijn rug de sensatie hebben gezocht.” In een laatste poging helderheid te scheppen heeft Van Gasteren nu de voormalig officier van justitie en advocaat-generaal Fred Speijers gevraagd een onderzoek te doen naar het proces uit 1944. Via een advocaat zal de Hoge Raad gevraagd worden de veroordeling van Van Gasteren te herzien.

In een reactie zegt Speijers dat het hem ‘Siberisch’ laat dat hij hierdoor in de discussie rond Van Gasteren belandt. Hij kijkt slechts naar de feiten die volgens hem ‘juridisch zeer interessant’ zijn. Ook zegt hij dat er geen garanties zijn dat de Hoge Raad deze zeventig jaar oude zaak oppakt. „Ik wil voor mijn familie en de geschiedschrijving de laster rond de liquidatie rechtgezet hebben”, zegt Van Gasteren ten slotte. „Ook al maak ik een eventuele vrijspraak misschien niet eens meer mee. Begrijp me niet verkeerd: ik heb geen enkele spijt of wroeging over mijn daad. Maar ik ben ooit beland in de sensatiekolommen van de krant, en gebruikt om de zucht van lezers naar moord en doodslag te voeden. Zo wil ik niet de geschiedenisboeken in gaan. Er is nu een prachtig boek over mijn films gereed. Laat ze dat boek maar over mij lezen.”