‘Gênant, hoe de vrouw achterblijft’

Gelijkheid man en vrouw binnen de top van de Nederlandse universiteiten is nog ver te zoeken, minister wil streefcijfer.

Minister van OC&W Jet Bussemaker (links) enCatholijn Jonker, voorzitter van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren.

„Het is buitengewoon gênant en ook ontzettend irritant dat we het hier nog steeds over moeten hebben”, zegt minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. „Dat we in Europa nog stééds op de vierde plaats van onderen staan”, voegt Catholijn Jonker toe, voorzitter van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH). België en Luxemburg hebben Nederland inmiddels ingehaald.

Bussemaker en Jonker laten zich samen interviewen over de nieuwe Monitor Vrouwelijke Hoogleraren van het LNVH. Een onderwerp dat de minister aan het hart gaat. „Ik heb zelf in de wetenschap meegemaakt dat een collega meer verdiende dan ik terwijl ik gepromoveerd was en hij niet.”

Waarom lukt de doorstroming van vrouwen in Nederland zo slecht?

Bussemaker: „Misschien werkt het idee dat we zo tolerant zouden zijn wel tegen ons. Daardoor is hier misschien minder draagvlak voor strenge maatregelen. Het is schrikbarend hoe lang je in Nederland nog kon horen: ja, er moeten meer vrouwen komen, maar we willen wel de beste kwaliteit. Alsof dat met elkaar in tegenspraak is! Diversiteit wordt hier vaak in het zielige getrokken: vrouwen die het niet op eigen kracht zouden kunnen redden omdat ze niet excellent genoeg zouden zijn.”

Jonker: „Mensen zeiden dat het vanzelf gelijkgetrokken zou worden. Nou, in 2000 waren er 40 procent vrouwelijke promovendi, dus dan zouden er in 2006 40 procent vrouwelijke docenten moeten zijn – dat is niet zo. We moeten nu niet over de oorzaken blijven praten, maar er gewoon iets aan gaan doen.”

Wat gaat de minister eraan doen?

Bussemaker: „Punt één is: er aandacht voor blijven vragen en zorgen dat nep-argumenten van tafel worden geveegd. Zoals: ‘we willen louter excellentie’, ‘mannen hebben het ook weleens moeilijk met stappen in hun carrière’, ‘vrouwen willen niet fulltime werken’. Ik hoop dat de universiteiten inzien dat ze vrouwelijke hoogleraren niet alleen nodig hebben om onrecht jegens vrouwen te bestrijden, maar omdat ze anders zichzelf ook tekort doen. Dat ze talent en perspectieven verliezen. De top-10 universiteiten uit de Shanghai-ranglijst hebben ongeveer 30 procent vrouwelijke hoogleraren.

„Ik wil het streefcijfer uit de Wet bestuur en toezicht [30 procent vrouwen aan de top, red.] ook in de semi-publieke sector invoeren. De universiteiten komen zeker in aanmerking. Er zijn genoeg manieren: het aanstellen van chief diversity officers, succesvolle carrièreprogramma’s voor vrouwen. Ze hoeven echt niet zelf het wiel uit te vinden. Benoemingen moeten transparanter. En NWO gaat nu gender bij subsidietoekenningen meewegen. Vorig jaar bij de zwaartekrachtsubsidies stond ik met louter mannen op het podium. Ik geloof dat iedereen dat shockerend vond. NWO wil al geen beoordelingscommissies meer zonder vrouwen.”

En wat wil het LNVH verder?

Jonker: „We willen dat gender meegenomen wordt in onderzoeksevaluaties. We proberen chief diversity officers bij faculteiten te krijgen. Colleges van bestuur zijn vaak welwillend, op lagere niveaus gebeurt er weinig. Vaak weten hoogleraren niets van regelingen voor vrouwen die een kind hebben gekregen. Of ze zeggen rustig: daar ben ik niet vóór. En vrouwelijke docenten klagen dat studenten hun evaluaties vaak beginnen met ‘mooi gezichtje’ of ‘leuk gekleed’. Dat kan echt niet meer. Elk wetenschappelijk opgeleid persoon moet weten hoe impliciete vooroordelen werken, ook bij zichzelf. We willen dat daar al op bachelor-niveau les in wordt gegeven. Voor promovendi lukt dat nu.”

Bussemaker: „Ik vind het zó verbazingwekkend dat veel mensen in de wetenschap niet eens voor die onderzoeksresultaten openstaan.”