Bussemaker blaft, maar bijt niet

De wet die eraan moest bijdragen dat meer vrouwen een positie zouden verwerven in de top van het bedrijfsleven, heeft nauwelijks effect gehad. Dat blijkt uit de cijfers. Het streefgetal in de Wet bestuur en toezicht (Wbt) luidt dat 30 procent van de bestuursfuncties in de bedrijven door vrouwen wordt vervuld. De realiteit is dat in 2014 het aandeel vrouwen in de raden van bestuur 9,6 procent bedraagt en bij de toezichthoudende commissarissen 11,2 procent.

De mislukking blijkt ook uit de kwalificaties die de minister in wier portefeuille emancipatie zit, Jet Bussemaker (PvdA), zelf aan deze resultaten geeft. „Buitengewoon teleurstellend”, schreef ze aan de Tweede Kamer. Ze is „zwaar ontevreden”, zei ze in deze krant.

De Wbt, die als tijdelijk bedoeld was, loopt over minder dan anderhalve maand af. Gelet op het gebrek aan succes ervan zou dus een logische conclusie zijn: vervang hem door een wet die wel effectief is en minder vrijblijvend. Tenminste: geredeneerd vanuit de opvattingen van de minister. Maar dat doet Bussemaker niet. Ze verlengt de wet die zo slecht werkt tot 2020. Zodat bedrijven nog eens vier jaar de tijd krijgen om aan de streefcijfers te voldoen, die niet veel meer voorstellen dan een vrijblijvend verzoek. Op één punt volgt wel een aanscherping: de verplichting om in hun jaarverslagen te melden welke inspanningen ze verrichten om meer vrouwen in de hoogste leiding te krijgen en waarom dat eventueel niet is gelukt.

In 2020 zit er zeker een ander kabinet, en het is niet denkbeeldig dat er dan een andere bewindspersoon voor emancipatiezaken zit. De minister heeft het probleem voor zich uitgeschoven.

Al zegt ze dat quota, die verplichtend zouden zijn, wel boven de markt blijven hangen. Zou het echt? Ze kwalificeert quota zelf als „een paardenmiddel” – in het huidige kabinet heeft dat middel trouwens geen kans – en maakt ook melding in haar brief van de verdeeldheid hierover die onder vrouwen heerst. Er zijn vrouwen die spreken van „een verkeerde manier om benoemd te worden” en van „ongewenste bemoeienis met bedrijfsbeleid”.

Om dat laatste gaat het met name. De overheid hoort zich niet zo intensief met het personeelsbeleid van particuliere bedrijven te bemoeien. Laat zij er maar inderdaad naar streven, als dat de politieke keuze is, om in haar eigen organisatie meer topvrouwen benoemd te krijgen. Zoals Bussemaker ook beoogt.

De aandacht die de minister aan de gebrekkige positie van vrouwen in de bedrijfstoppen schenkt, kan zijn nut hebben. Het is tenslotte onverstandig van bedrijven als ze de talenten van vrouwen on(der)benut laten. Meer topvrouwen is een uitstekend idee. Maar het is wel aan de bedrijven zelf om dat te bepalen.