Wat zit er in die tas? Dat gaat nu toch als een flits door je heen

Op de stations Utrecht en Amsterdam Centraal wil niemand bang zijn. Maar dat is soms wel moeilijk.

De stationshal van Amsterdam Centraal, gisteren.

Utrecht CS en omgeving, gistermiddag tussen twee en half vier. Wie je ook aanspreekt met de vraag of ze na ‘Parijs’ bang zijn voor aanslagen, iedereen blijft staan en wil er graag wat over zeggen. En ze zeggen allemaal: nee. Maar ondertussen. „Als het in mijn trein gebeurt”, zegt een oudere heer met een geruite pet op, „dan gebeurt het niet in een andere trein en hebben die mensen geluk”. Daarna rent hij met twee treden tegelijk de trap op – „goed voor mijn conditie” – want hij heeft haast. Kees de Vries heet hij, 69 jaar, vroeger was hij leraar.

Susanne Tuijp, 24 jaar, is objecten aan het fotograferen, een opdracht van de cursus die ze doet. Zij zegt: „Ik woon in Volendam, ‘Parijs’ is voor mij een ver-van-mijn-bedshow. Als we bang worden, hebben de terroristen ons precies waar ze ons hebben willen.” Ze aarzelt even. „Als ik het station in loop, denk ik er wel aan. Die jongen daar – hij kán een bomgordel om hebben.”

„Bang?” zegt Ronald de Haas. „Bang? Helemaal niet.” Een lange man met volle baard, 39 jaar. Hij is kok in de Jaarbeurs. Met zijn zoontje staat hij bij het zebrapad. „Weet je waar ik bang voor ben? Voor TTIP, voor Europa, voor nog minder democratie en nog meer militairen, voor de totale controle.” Zijn zoontje wil doorlopen, De Haas praat door. „Nederland heeft het over zichzelf afgeroepen, we zitten met onze vinger vol in de reet van de Amerikanen en...”

„Papa”, zegt zijn zoontje.

„Sorry”, zegt De Haas. „Haast.”

Een Somalisch meisje dat nauwelijks Nederlands spreekt lacht verlegen en kijkt in de verte. „Ik ben wel bang”, zegt ze. „Maar ik ben bang voor andere dingen.” Ze is achttien jaar en nog niet zo lang hier. Wat die andere dingen zijn, kan ze alleen in het Somalisch zeggen.

„Ik ben niet bang”, zegt Ina Steegman, 61 jaar, yogalerares. „Maar er hangt sinds vrijdagavond wel een donkere wolk boven mijn hoofd.” Ze heeft net haar dochter naar Schiphol gebracht, die woont in Londen. „Ik hou me vast aan de woorden van Ken Livingstone, de oud-burgemeester van Londen. Die zei na de aanslagen op de metro in 2005 dat Londen de stad was waar mensen naartoe kwamen om hun dromen te verwezenlijken. En dat zou zo blijven.”

Achmed van 30 en Achmed van 36 – zo heten ze niet, maar zo stellen ze zich voor – staan bij de roltrappen te pauzeren met een sigaretje. Ze werken voor een installatiebedrijf op het station. „Waarom zouden we bang zijn?” vraagt Achmed van 30. „Omdat het deze keer Parijzenaars waren?”

„Waarom vragen jullie niks over Beiroet?” zegt Achmed van 36.

„Of over Turkije?” zegt Achmed van 30. „Irak? Afghanistan? Nigeria?”

Kom op, zeg. Bang voor aanslagen. Wat een onzin. Je hebt toch geen controle en dood gaan we allemaal. „Of het nou door de sigaretten is”, zegt Achmed van 30, „of door een kogel”.

Op Amsterdam Centraal, 27 treinminuten verderop, plaatst Jasper van Kreek een nieuwe poster in de abri. Hij deed er vandaag al 71 op Sloterdijk, nu nog 114 op CS. Vlak na de Thalysaanslag zag Van Kreek op het station ook agenten met machinegeweren. Van die commandotypes. Toen dacht hij wel ‘oh, oké’. Ditmaal heeft hij ze nog niet gezien.

Of hij bang is? Van Kreek, 43 jaar, laat de nieuwe poster – 3FM – even rusten in zijn handen en neemt de tijd voor een antwoord. Dan: „Zoiets legt kanten van mezelf bloot die ik niet zo fraai vind.”

Vooroordelen wil Van Kreek helemaal niet hebben. Hij wil niet denken in stereotypen. Hij vindt het juist prettig dat Nederland zo multicultureel is. Vorige week liep hij bij het vervangen van de posters toevallig nog premier Rutte tegen het lijf. Die had net les gegeven op een school in Den Haag. Hij liep er zonder beveiliging. „Hopelijk kan dat zo blijven.”

Ook Marion baalt van zichzelf. Ze tuurt in de stationshal happend van een broodje naar de gele borden. „Ik kijk anders naar mensen”, zegt ze aarzelend. „Dat is niet goed, ik wil mensen helemaal niet over één kam scheren... en het is ook niet leuk om te zeggen... maar... ik let nu wel op uiterlijk.”

Ze had het zojuist nog bij aankomst op CS. Stond ze te wachten in het halletje van de trein toen iemand naast haar ging staan die voldeed aan „bepaalde kenmerken”. Jongeman. Alleen. Baard. Tas. „Hij had een rugzakje en een grote tas. Zo eentje die je gemakkelijk ergens neer kunt zetten. ‘Wat zit erin’, vroeg ik me af. Dat gaat dan toch als een flits door je heen.”