Trainingen doen er niet toe, de shirts en de meisjes wel

Vandaag verschijnt voetbalblad Santos. Mooie foto’s en interviews, al haalt niet elk verhaal dat niveau.

Eén man komt in het eerste nummer van Santos op allerlei plekken terug, alsof hij de gedachte achter het vandaag gelanceerde magazine over voetbalcultuur het best belichaamt: Diego Maradona. Hij siert het omslag en het beste stuk gaat over hem. Jaap Visser begint met een originele invalshoek – dat de Argentijn nooit met of tegen een Nederlandse club speelde – aan een mooi geschreven verhaal langs de randen van de carrière van ‘Pluisje’. Het gaat nu eens niet over de ‘Hand van God’ of die ene rush, en slechts zijdelings over dat hooghouden tijdens Opus’ Live is life. Het gaat wél over, onder meer, een trainingskamp in Papendal in 1982 waarvoor Maradona in Nederland was en een paar dagen optrok met speelsters van ons nationale volleybalteam. (Toch enigszins een teleurstelling: een van de dames blikt terug en verzekert de lezer dat er „geen gehannes, geen geflikflooi” heeft plaatsgevonden).

Santos, zo is duidelijk, is net als de Argentijn geïnteresseerd in wat er buiten de lijnen gebeurt. Niet de training doet ertoe, maar het meisje. Niet de opstelling, maar het shirt. Niet de man die scoort, maar de supporter die het de rest van zijn leven zal herinneren.

Helaas haalt niet ieder verhaal dat niveau. Je wil er niet over vallen, maar in een blad dat in het voorwoord meteen verkondigt dat het vooral mooi, mooi en mooi moet worden, is het zonde dat in vrijwel elk verhaal een taalfout is blijven staan. En het idee om een dode voetballer tot leven te wekken om er een fictief verhaaltje aan te wijden, bijvoorbeeld, is gewoon niet zo goed.

Ogenschijnlijk veel werk is er gestoken in een profiel van Ruud Gullit, waarvoor het blad een weekend met hem optrok. Het wordt ingeleid als een stuk over iemand die „diepe dalen” kende, maar komt niet verder dan het vertroetelen van een knuffelbare held van weleer en grossiert in je-had-er-misschien-bij-moeten-zijn-anekdotes van de man zelf. Schrijven over de romantische kant van sport hoeft natuurlijk niet te betekenen dat je nooit eens wat dieper in het hoofd van zo’n icoon duikt.

Zoals dat bij Ajax-aanvaller Fischer al beter lukt. De 21-jarige Deen toont een voor zijn beroep en leeftijd ongewone zelfkennis als hij zegt dat hij het lastig vindt interviews van twee jaar geleden terug te lezen. Hij vindt zichzelf dan „erg dom”. Maar: „Ik ben nog steeds dom. Over twee jaar walg ik weer van dit interview.”

Net als Staantribune, een vergelijkbaar tijdschrift over voetbalcultuur dat vorig jaar van start ging, blinkt Santos uit in fotografie. Ge-wel-dig zijn de foto’s van voetballers die voor twee rivaliserende clubs uitkwamen en voor het blad poseerden in een voor de gelegenheid aan elkaar genaaid combi-shirt. Ook de twee grote fotoseries, een uit Buenos Aires en een van fotograaf Stuart Roy Clarke, zijn van enorme klasse. En, het vermelden waard: ze wérken op papier zoals op een scherm niet had gekund, omdat je de platen kunt vasthouden.

Is Santos het „voetbalblad zoals dat nog niet bestaat in Nederland”, zoals in het voorwoord staat? Nee. Staantribune is erg vergelijkbaar: die eerste editie had óók een stuk over gevluchte Eritreeërs die nu bij een Nederlandse amateurclub spelen, en óók items over shirtjes en een rubriek over voetbalboeken. Hard Gras is nooit ver weg en het interview met Van Persie kan zo in Helden. Dit blad is er niet omdat er een gat in de markt was, maar omdat er – en dat druipt ervan af – vakbekwame liefhebbers bijeen zijn gebracht die er lol in hebben. Een misschien nog wel betere reden om het te doen.