Column

Stalen gezicht

In de vroege ochtend bezocht ik in Amsterdam-Zuidoost een medische kliniek voor een routineonderzoek. Een assistente riep mijn naam af en ik volgde haar de spreekkamer in, terwijl ik mijn jack op een bank achterliet. „Dat zou ik niet doen”, zei ze, „het is hier Zuidoost.”

„Je verwacht in zo’n klein, overzichtelijk gebouw geen dieven”, zei ik. Ze lachte kort.

„Ze pikken hier álles. Het is gebeurd dat ze een computer uit een spreekkamer pakten en er met een stalen gezicht de deur mee uitliepen.”

Haar uitspraken prikkelden mijn fantasie. Ik zag het voor me: twee dieven die hier doodgemoedereerd rondliepen of in de hal tussen de wachtenden plaatsnamen, loerend naar de spreekkamers die aan de hal grensden. Kwam zo’n spreekkamer even vrij, dan liepen zij kalm binnen, onttakelden een computer en liepen ermee naar de uitgang, druk pratend over het mankement dat zij als monteurs hadden aangetroffen. Niemand zou iets bijzonders opvallen, er waren bovendien geen beveiligingsmensen in de kliniek.

Met een stalen gezicht – ja, die medewerkster had het goed verwoord, want daar draait het om, dát is de kunst van het stelen, van het liegen ook, want liegen is een vorm van stelen, namelijk van andermans vertrouwen. Niet zenuwachtig worden, maar koelbloedig doen alsof er niets aan de hand is: iedereen heeft toch weleens een monteur over de vloer gehad?

Eenmaal buiten zouden ze het ook niet op een rennen hebben gezet naar hun auto; dán pas zouden ze argwaan hebben gewekt. In plaats daarvan hadden ze misschien zelfs even de computer op de grond gezet om een sjekkie te rollen. Niets loos, toch? Wij doen gewoon ons werk.

Ik moest ook denken aan het meest besproken stalen gezicht van deze dagen: dat van Abdelhamid Abaaoud, de Belg die misschien het brein is achter de aanslagen in Parijs. Hij reisde een poosje geleden vanuit Syrië naar België om „de kruisvaarders die oorlog voeren tegen moslims angst aan te jagen”. Een Belgische politieagent hield hem aan, maar herkende hem niet van het inmiddels verspreide signalement.

Ik zie hoe de politieagent zich vooroverbuigt en Abaaoud door het autoraampje scherp aankijkt. Abaaoud kijkt terug met een gezicht dat geen enkele emotie verraadt. De politieman vraagt zich af waar hij deze man eerder heeft gezien. Was het op een opsporingsbiljet op het bureau? Of is het gewoon iemand die hij weleens op straat heeft gezien? Of verbeeldt hij het zich allemaal?

Hij aarzelt. Moet hij hem uit de auto halen? Het is zo’n gedoe, vooral als achteraf blijkt dat de man volmaakt onschuldig is. Hij kijkt hem nog eens goed aan. Wel een aardig, open gezicht eigenlijk, de man glimlacht zelfs, hij kan kennelijk wel begrip opbrengen voor zijn aarzeling. Het pleit voor hem – reageerden alle verdachte figuren uit Noord-Afrika maar zo. Het lijkt zelfs alsof zijn glimlach steeds breder wordt, de man is de ontspannenheid zelf. Een gestresste jihadi zou heel anders reageren.

Dus laat hij hem gaan. Hij denkt ook nooit meer aan de man terug, totdat hij kort na de aanslagen in Parijs op tv een filmpje ziet over een Belgische jihadi die achter het stuur van een auto zit waaraan de lijken van enkele afvalligen zijn gebonden. „Op Allahs weg sleep ik de lijken van afvalligen achter mij aan”, roept de jihadi vrolijk.

Die lach!