Puinhoop

Ellen Deckwitz kiest elke woensdag een gedicht bij de stemming van de dag.

Ze komen onaangekondigd binnenvallen.

Rommelen tussen de jassen als een slaapwandelaar.

Verschuiven schaakstukken op het speelbord,

van een voor de nacht opgeschorte partij.

Als ze in een slechte bui zijn, verplaatsen ze zware meubels,

bankstellen, massief houten tafels.

Nooit zetten ze iets terug op zijn plek.

Ze roken appeltabak in de waterpijp.

Draaien opera’s, veel te luid. Jazz.

Metaalgekletter als ze in de bestekla graaien, op zoek

naar een kurkentrekker.

Ze zetten de verwarming hoog, en dan weer openen ze alle ramen.

Laten overal kruimels achter, zoutkorrels. En boeken, de rug

naar boven, liggend op het inwendige.

De doden maken er een puinhoop van.