Hollandse meesters in Londen

De Engelse en Britse koningen verzamelden Hollandse meesters. Met name George IV had een goed oog voor kwaliteit. De collectie is nu te zien in de Queen’s Gallery. Een deel komt volgend jaar naar het Mauritshuis.

Rembrandt van Rijn,Portret van een oude vrouw (1627-29) Royal Collection Trust / (C) Her Majesty Queen Elizabeth II 2015.

Koningin Elizabeth leent nooit schilderijen. Met een kunstcollectie die bestaat uit meer dan 245.000 werken is dat ook niet nodig. Maar voor de tentoonstelling Masters of Everyday in de Queen’s Gallery maakte de Britse koningin voor één keer een uitzondering. In het midden van de galerie hangt Gerard Dou’s Jonge Moeder (1685), een van de pronkstukken van het Mauritshuis. Zelfs tussen de Dou’s die Elizabeth wel bezit – de gedetailleerde Jonge vrouw, bezig met het hakken van uien (1646) en De Kruidenierswinkel (1672) – valt op hoe bijzonder dit schilderij is.

„Het is het waard één keer onze eigen regel te breken”, vertelt Desmond Shawe-Taylor, Surveyor of the Queen’s Pictures, verantwoordelijk voor de zorg voor Elizabeths schilderijen. Hij grapt: „Eigenlijk behoort dit schilderij ons ook toe: Charles II kreeg het cadeau van Nederland. Willem III [de Nederlands stadhouder, de Engelse koning] erfde het, en bracht het naar zijn paleis Het Loo, en na zijn dood werd vergeten het ooit terug te sturen.” Maar hij zegt ook lachend: „Maakt u zich geen zorgen, we willen geen restitutie.”

Achtereenvolgende Engelse en Britse koningen verzamelden Hollandse meesters. Met name George IV (1820-1830) had een goed oog voor kwaliteit. Het grootste deel van wat er nu op de tentoonstelling is te zien, werd door hem aangeschaft. Waaronder de prachtige Rembrandt en Saskia (1636) van Ferdinand Bol, die in de eerste zaal alle aandacht naar zich toe trekt. Een van de weinige schilderijen waarbij George IV zich vergiste in de maker: hij dacht een Rembrandt te hebben gekocht.

Masters of Everyday bestaat eigenlijk uit twee helften. Eerst een traditioneel opgebouwde zaal, die de relatie tussen het Britse en Nederlandse koninklijke huis laat zien. Met de grote verslagen van de Anglo-Nederlandse zeeslagen van Willem van der Velde de Oude en de Jonge – in opdracht van James II gemaakt – hoog aan de muur, en daaronder een laag kleinere werken. Waaronder Portret van een oude vrouw (Rembrandts moeder), de eerste Rembrandt die ooit Nederland verliet, een gift voor Charles II.

Aan weerszijden Willem III en zijn Mary, de eerste door Adriaen Hanneman geschilderd, de tweede door Peter Lely, beiden naar Anthony van Dyck, de Vlaming die in de zestiende eeuw hofschilder werd en nog altijd door de Britten wordt vereerd.

Zaal twee, in september volgend jaar in het Mauritshuis te zien, laat de genreschilderijen zien waar de Nederlanders zo goed in waren. Een schalks lachende huisvrouw die onder de wenteltrap haar zoenende bedienden betrapt (Een vrouw op een trap van Nicolaes Maes, uit 1655), of de vrolijkheid van Jan Steens Dorpsfeest (1673).

„De komedie van het gewone leven”, noemt Shawe-Taylor het. George IV hield duidelijk van platte humor. „Bij ieder fallussymbool dat u denkt te zien, dat klopt, zo doorzichtig is het. Denk [jaren zeventig komiek] Benny Hill, maar dan in de zeventiende eeuw.” Een serieuzer werk als Het concert/De muziekles (1660) werd door vader George III gekocht.

De enige die niets van Hollandse of Vlaamse meesters moest hebben, vertelt Shawe-Taylor, was Victoria. Zij vond het maar lage kunst. Het Nederlandse schilderij dat zij aanschafte, Petrus van Schendels Nachtmarkt (1844), is dan ook on-Nederlands geïdealiseerde romantiek.

De huidige koningin heeft weinig aan de collectie Hollandse meesters toegevoegd. Zelfs voor een van de rijkste vrouwen ter wereld is zeventiende-eeuwse kunst uit de Lage Landen „een beetje te duur”, zegt Shawe-Taylor. „Maar ze houdt er wel erg van.”