‘Geef ze werk, de Syriërs. Ze zijn trots’

Asiel in het gooi Ze zou eigenlijk teruggaan naar Syrië. Maar Siham Atassi besloot op het laatste moment tóch in Nederland te blijven. Nu studeert ze in Leiden en woont ze op kamers. Ze heeft nog nooit in een asielzoekerscentrum gezeten.

Siham Atassi was in Syrië vrijwilliger bij het Rode Kruis: „Mijn collega had de hersenen van een man in zijn hand.”

Siham Atassi (24) woonde comfortabel in Homs in Syrië. Mooi huis in een buitenwijk, vader ingenieur, zij en haar zus de opgroeiende, slimme dochters die alle kansen kregen. Toen brak de oorlog uit. „Opeens stond mijn land in brand”, zegt Siham. „Ik was twintig. Ik wilde wat doen. Ik was geen revolutionair, geen demonstrant.” Ze meldde zich als vrijwilliger bij het Rode Kruis.

Ze kreeg een korte, intensieve medische training, waarna ze meereed op de ambulance. „De verwondingen die je ziet zijn ongelooflijk. Maar je went eraan”, zegt ze. „Je moet wel. Je kunt niet jankend rondrijden, daar heeft niemand wat aan.”

Het aantal zwaargewonden en doden dat ze zag, is niet te tellen. Sommigen blijven haar extra bij. De man die op een drukke weg door een scherpschutter in het hoofd was geschoten. Niemand durfde te stoppen omdat ook hulp bieden zeer gevaarlijk was. Zij en haar collega’s deden dat wel. Zo snel mogelijk, hoofd bij de grond, zoveel mogelijk gedekt door de ambulance. Zij zat naast de bestuurder, toen ze haar mannelijke collega, twee meter lang, het achterin de ambulance hoorde uitschreeuwen. Ze keek om. Hij had de hersenen van de man in zijn hand, ze waren door het gat in zijn hoofd naar buiten gekomen.

Hoe ze naast haar oorlogswerk nog kon studeren, vraag het haar niet. Ze haalde ook niet alle vakken, zegt ze droog. De beurs die ze na twee jaar aanvroeg om twee maanden in het buitenland te studeren was vooral bedoeld om er „even uit te zijn”.

Oorlogsgebied

Ze arriveerde in oktober 2013. Ze was niet van plan asiel aan te vragen. Pas in Amsterdam drong langzaam door dat niet teruggaan ook een optie was. Ze besloot pas drie dagen voor haar geplande vertrek eind 2013 om te blijven. Haar moeder die haar zou ophalen van het vliegveld in Beiroet was al onderweg en kwam voor niets. „Ze heeft het me vergeven.”

Ze hoefde niet naar een asielzoekerscentrum. „Ik logeerde bij Nederlandse vrienden die ik had leren kennen.” Ze kreeg als Syriër uit oorlogsgebied snel een tijdelijke verblijfsvergunning. Ze schreef zich in voor International Studies, Universiteit Leiden. Dit jaar begon ze. Ze huurt sinds maart vorig jaar een kamer bij een gezin in Naarden. „Het voelde meteen ‘thuis’. De moeder is als een moeder voor mij. Dat is de reden dat ik daar nog steeds woon en heen en weer reis naar Leiden.”

In Syrië is er geen uitkering

Ze meldde zich ook in Nederland bij het Rode Kruis. Ze spreekt Arabisch, vloeiend Engels en steeds beter Nederlands. En ze kent de achtergrond van de Syrische vluchtelingen als geen ander. Nu er honderden vluchtelingen in Het Gooi opgevangen gaan worden, vertelt ze op bijeenkomsten over haar ervaringen in Syrië. „Het is goed als mensen in Nederland iets meer weten over de Syriërs, de oorlog en wat ze hebben meegemaakt voordat ze hier arriveren en ze met hen te maken krijgen.”

Geef die mensen werk, zegt ze. „Syriërs zijn trots. In Syrië bestaat niet zoiets als een uitkering. Zelfs gepensioneerden moeten blijven werken om rond te komen. Niemand wil z’n hand ophouden.”

Als ik zeg dat mijn ouders in Syrië internet hebben, reageren Nederlanders verbaasd

Ze wil dat Nederlanders anders naar vluchtelingen gaan kijken: „Syriërs zijn geen Assad en geen IS. Syriërs zijn goed opgeleide, welgemanierde mensen. Nederlanders denken dat Syrië een derdewereldland is. Laatst vroeg een studente mij: ‘Hoe hou je contact met je ouders?’ Ik zei: ‘Ze hebben gewoon internet.’ Ze was enorm verbaasd.”

Ze wil ook dat Syriërs Nederlanders leren kennen. Daarvoor moeten ze zo snel mogelijk de opvangcentra uit. Toen een vluchteling de Nederlanders laatst koud en onvriendelijk noemde, zei ze: ‘You’re hanging out with the wrong people.’ Ze vindt het ook gek dat Nederlanders vluchtelingen in de opvangcentra stoppen en ze daar zo lang laat zitten. „Ik zou zeggen: laat ze het land zien, laat zien waar de grenzen beginnen en eindigen, leidt ze langs alle wonderschone plekken van het land. Laat ze verliefd worden op Nederland, zoals ik deed.”