De realiteit is een valstrik

De meervoudig Oscarwinnaar is gast van het jaar op IDFA. Wereldberoemd werd hij met zijn onthullende, soms labyrintische documentaires.

Errol Morris, privédetective, reclamefilmer, vertegenwoordiger en documentairemaker van wereldfaam. Foto Mike McGregor, Getty Images

De meeste filmmakers willen graag dat we geloven wat ze ons tonen. Errol Morris (1948) laat dat koud. Niet dat hij bewust liegt, maar de werkelijkheid is altijd anders als je lang naar iets kijkt. Kom bij de filmmaker niet aan met ‘waarheid’ – die is betrekkelijk. Ergens tussen verslaglegging en kunst bevinden zich zijn films – en hij is er beroemd mee geworden.

Beroemd is iets anders dan rijk. Na zijn debuut in 1978, Gates of heaven, over begrafenisondernemingen voor huisdieren, heeft Morris er altijd dingen naast moeten doen: privédetective, vertegenwoordiger in kabeltelevisieabonnementen. Gelukkig bleek er goed geld te verdienen met het maken van tv-commercials. Op zijn website errolmorris.com laat de filmmaker er honderden zien. Vooral die voor Miller-bier zijn juweeltjes van dertig seconden: ze gaan over de ergernissen in een mannenleven (je schoonmoeder op bezoek, er is iets stuk in huis wat je moet repareren), en de troostrijke wetenschap dat er altijd nog een flesje bier open kan.

Ondanks zijn rijk gevulde orderportefeuille als reclamefilmer en zijn wereldfaam, heeft Morris nog steeds moeite om voor zijn grote projecten productiegeld bij elkaar te sprokkelen. Zijn oeuvre is dan ook bescheiden van omvang: tien grotere films in bijna veertig jaar. Slechts enkele vonden brede erkenning buiten de kring van verstokte cinefielen. In 1988 ontving hij de Oscar voor beste documentaire met The Thin Blue Line, waardoor een onschuldig veroordeelde de elektrische stoel ontliep. In 2003 leverde Fog of War onthullende inzichten in de Vietnamoorlog – een van Amerika’s grote trauma’s.

Maar de bij deze gelegenheden gewekte verwachtingen – de filmmaker als strijder voor gerechtigheid, of als onthullend historicus – heeft Morris niet waargemaakt. Omdat hem dat niet interesseert, zegt hij.

Misschien. Toch leek de bezworen eigenzinnigheid soms een masker voor feilen. In Standard Operating Procedure uit 2008, over martelingen door Amerikaanse militairen in de Abu Ghraib-gevangenis bij Bagdad, verloor hij zich in een onduidelijk bijverhaal. Na The Unknown Known uit 2014, over Donald Rumsfeld, minister van Defensie ten tijde van de inval in Irak, verklaarde Morris dat hij nog nooit iemand had geïnterviewd voor wie hij zo weinig empathie kon opbrengen. Gezien de bonte stoet massamoordenaars, holocaustontkenners en andere engerds die voor zijn camera zijn verschenen, klonk dat bijna als een excuus.

Toen hij met filmen begon – en eigenlijk nog steeds – vielen de meeste documentaires in twee genres uiteen. Je hebt de school van de cinéma vérité: camera op de schouder en registreren, in de hoop dat je aanwezigheid vergeten wordt en je de waarheid betrapt. Daarnaast is er de uitlegdocumentaire, waarbij geïnterviewden tussen documentair beeld of archiefmateriaal door een gestructureerd verhaal vertellen.

In cinéma vérité gelooft Morris dus niet – we zien wat we willen geloven, beeld is geen bewijs. Hij maakt gebruik van de tweede vorm, waarbij hij onbekommerd ook scènes na laat spelen. Voor de interviews heeft hij een machine ontworpen waardoor de geïnterviewde de interviewer recht voor zich ziet en hij dus de toeschouwer lijkt toe te spreken. Maar deze suggestie van authenticiteit bedriegt: de dingen zijn altijd ingewikkelder, ongeloofwaardiger, bizarder dan je voor mogelijk hield. De wereld is een labyrint, waarin de filmmaker ons met genoegen op een dwaalweg helpt. Dat maakt het zien van Morris’ films tot een – soms beangstigend – avontuur.