De ontluistering van Lance Armstrong

Armstrong (Ben Foster) in actie

„Sorry dat jullie niet groot kunnen dromen. Sorry dat jullie niet in wonderen geloven”, galmde Lance Armstrong na zijn zevende Tourzege vanaf het podium op de Champs-Élysées. Tien jaar later hebben zijn critici gelijk gekregen en is de grootste wielrenner aller tijden een paria. In 2012 moest Armstrong bekennen dat hij elke Tour de France op doping won.

Seriële Tourwinnaars zijn geen lieverdjes. Het vereist extreme wilkracht, ambitie en meedogenloosheid om langdurig het peloton te koeioneren. Maar Armstrong beschimpte, belasterde en isoleerde eerlijke mensen en zette vrienden terloops bij het oud vuil: knap dat filmmaker Stepen Frears en acteur Ben Foster erin slagen in deze blufferige proleet een gemankeerde held te vinden in docudrama The Program, dat dicht bij de feiten blijft – wat ook wel moet bij zo’n grote, recente affaire.

Het sprookje-Armstrong begon met teelbalkanker, mogelijk opgelopen door zijn toen nog amateuristische dopinggebruik. Nadat hij dat had overleefd en zijn eerste Tour had gewonnen in 1999 – naar bleek als project van de Italiaanse dopingarts Michele Ferrari – werd hij gaandeweg ‘too big to fail’. Zijn inspirerende verhaal redde de wielersport na het fiasco van de ‘Tour de Dopage’ van 1998. Hij moest gewoon clean zijn, al wees alles op het tegendeel.

Armstrong en zijn meesterknecht Floyd Landis maken in The Program ironische toespelingen op de heldenfilm die ooit over hen wordt gemaakt terwijl ze in de ploegbus aan de bloedzakken hangen („De bar is open!”) Wie gaat hen spelen? Jake Gyllenhaal en Matt Damon? Het is een opkomst-en-ondergangfilm gevonden over een ambitieuze man die een pact met de duivel sluit, maar struikelt over zijn arrogantie. Zonder filmsterren, maar prima gecast met Ben Foster als steeds hardere Armstrong, Jesse Plemons als zijn labiele tovenaarsleerling Landis en Chris O’Dowd als roepende in de woestijn David Walsh, de journalist die hem velde. Strak verteld en boven tv-drama verheven door de ietwat clichématige visuele ambitie van Stephen Frears, die niet zuinig is met scheve, vervreemdende ‘Dutch angles’, dopingarts Ferrari belicht als Frankenstein en monster Lance op existentiële momenten naast een zwart kratermeer zet.

Gelukkig ziet Frears af van verzachtende omstandigheden. Armstrong verwordt van hanige Texaan tot cynische bullebak, van kwaad tot erger. We zien de afbladdering van een posterboy van het tijdperk-Bush, met zijn winnen tegen elke prijs en brallerige emotiecultuur. Armstrong liet de wielersport net zo achter als zijn mede-Texaan de economie en het Midden-Oosten: zijn ondergang is heel bevredigend.