Vuur!

Beschaving is dodelijk voor het innerlijk vuur, voor hartstocht. Hoe kun je jezelf nog in iets of iemand verliezen?, vraagt Arnon Grunberg zich af.

‘Dit is bedoeld als een koel boek over vuur’, zo luidt de eerste zin van Goudsbloms studie Vuur en beschaving. Een uitstekende zin, die alles aankondigt en samenvat wat nog volgen zal.

Als ik mijn eigen schrijverschap zou moeten typeren, zou ik zeggen dat ik koele boeken over vuur schrijf, allicht een van de redenen dat ik affiniteit voel voor Joop Goudsblom.

Waarom koel over vuur schrijven? Opdat het vuur beter kan branden; vurig over vuur schrijven is dubbelop.

Net als koelte heeft het woord ‘vuur’ een letterlijke en figuurlijke betekenis.

Het eerste is het vuur dat Goudsblom in zijn inleiding omschrijft als „een verbrandingsproces dat gepaard gaat met hitte en licht”. De beheersing van dat vuur heeft, zo laat hij zien, de geschiedenis van de mensheid mede bepaald. Zonder vuur geen onderwerping van de natuur, geen onderwerping van andere mensen, althans niet op die schaal, geen industrialisatie, niet dat wat wij geneigd zijn ‘vooruitgang’ te noemen, al impliceert dat woord dat aan het eind van de vooruitgang de meest voortreffelijke van alle werelden op ons staat te wachten. Een bedenkelijke hypothese.

Het vuur in figuurlijke zin is het vuur dat in mensen woont en dat net zo gedomesticeerd is als het verbrandingsproces dat gepaard gaat met hitte en licht. Dat vuur, dat niet per definitie erotisch getint hoeft te zijn, draagt immers het gevaar van geweld en destructie in zich.

Het vuur in figuurlijke zin is bij uitstek elementair in de romankunst. Een van de beroemdste romans van de twintigste eeuw verwijst er al in de eerste zin naar, als we het voorwoord niet meerekenen: ‘Lolita, light of my life, fire of my loins.’ In de Nederlandse vertaling van Rien Verhoef: ‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur.’

Dit vuur is zo kenmerkend voor romankunst, omdat het over de mens zélf gaat en omdat het in de meeste gevallen het mechaniek van de plot in werking zet. Zonder dat vuur is de mens namelijk een levende dode, maar gebrekkige beheersing van het eigen vuur zorgt er zoals gezegd voor dat de mens een gevaar kan zijn voor zichzelf en zijn omgeving. En in sommige gevallen is een al te geslaagde domesticatie ervan ook dodelijk, zoals we zullen zien. Op zijn minst brengt al te grondige domesticatie van het innerlijke vuur een speciale vorm van lijden met zich mee. Het wezen van de mens wordt dan immers genegeerd.

Het Oude Testament is eerst en vooral de weergave van een machtsstrijd tussen God en zijn volk, dat zich keer op keer niet kan beheersen, dat het eigen vuur maar niet onder controle kan houden, dat daarom afgoden aanbidt en offers brengt op ‘onheilig vuur’. Er staan volop expliciete raadgevingen in het Oude Testament die de lezer manen het interne vuur misschien niet geheel te doven maar toch in elk geval op de waakvlamstand te zetten. Deze niet aflatende oproep, zet uw interne vuur op de waakvlamstand, is een bouwsteen van wat wij het beschavingsproces zijn gaan noemen. Een voorbeeld uit Sirach: ‘Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten, feest en drink niet samen met haar. Dan voel je je niet tot haar aangetrokken en ga je niet door hartstocht ten onder.’

In het Nieuwe Testament verandert de rol van het innerlijk vuur. De Mensenzoon zelf staat in vuur en vlam, want zonder die interne brand trek je niet langs dorpen en steden met de boodschap dat het Koninkrijk van de Hemel nabij is. Volgelingen wordt aangeraden alles achter te laten, ouders, geliefden, huis en haard, om de Mensenzoon te volgen. Misschien is vanwege dat vuur zijn einde naar menselijke maatstaven gemeten ook zo gruwelijk. Zoals een ware revolutionair betaamt, tracht hij anderen in vuur en vlam te zetten. Uiteindelijk wordt hijzelf verteerd.

De vernietiging van alles en iedereen

Geen wonder gezien het voorgaande dat de Bijbel eindigt met een vuurzee. In het boek Openbaringen staat geschreven: ‘Toen nam de engel de wierookschaal, vulde hem met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde.’ Einde citaat.

Het hemelse Koninkrijk is nabij, maar de vernietiging van alles en iedereen staat eerst op het programma.

Ik wil laten zien, en daar was ik stiekem al mee begonnen dat de studie van Goudsblom over het vuur ook gelezen kan worden als een studie naar dat andere vuur, het innerlijk vuur, dat soms omschreven wordt als ‘passie’, dan weer als ‘hartstocht’; ook woorden als ‘wil’ en ‘verlangen’ komen in de buurt. Toch is het woord ‘vuur’ wat mij betreft het beste.

De Bijbel is illustratief, maar we kunnen zoals gezegd eveneens terecht bij de romankunst om aan te tonen dat de mens moet worden begrepen als een lopend vuurtje.

Eerst nog wat meer over dat lopend vuurtje. Norbert Elias, vriend en leermeester van Goudsblom, schrijft in Het civilisatieproces ook over het individuele beschavingsproces. Elias stelt dat de mens ooit zijn passies minder controleerde; sterker nog, niet hij controleerde zijn passies, de passies controleerden hem. Gaandeweg heeft hij geleerd de opdracht van onder anderen Spinoza, om geen slaaf te zijn van eigen gevoelens, in praktijk te brengen; beheersing is ook als het om het interne vuur gaat het sleutelwoord. De mens is in de loop der tijd een lopend vuurtje geworden dat zich heeft weten te beheersen.

Maar deze zelfbeheersing, deze internalisering van maatschappelijke geboden, die we ook superego of desnoods ‘geweten’ kunnen noemen, heeft een keerzijde, aldus Elias. Zij zorgt ervoor dat het leven geen werkelijke of veel minder gevaren kent, daardoor kan dat leven verworden tot een bezigheid zonder werkelijke bevrediging.

Wat in het alledaagse leven dan ontbreekt zou volgens Elias, die zich daarbij uiteraard heeft laten inspireren door Freud, alsnog kunnen worden bevredigd in dromen, films of boeken. Deze rechtvaardiging van kunst, voor zover het rechtvaardiging kan worden genoemd, wijst erop dat beheersing weliswaar noodzakelijk is maar dat al te veel beheersing ook haaks staat op fundamentele en vermoedelijk onoverwinnelijke menselijke behoeften. Elias stelt dat het externe slagveld waarop de krijger triomfen vierde of ten onder ging een intern slagveld is geworden. Een wat mij betreft, niet in de laatste plaats voor de romankunst, belangrijke observatie.

De mens is dus een lopend vuurtje dat alleen nog op symbolische wijze kan branden. Deze ontwikkeling is volgens Elias te danken aan het geweldsmonopolie van de staat. Iedereen is van iedereen afhankelijk geworden, de burger overleeft niet door zijn vermogen geweld toe te kunnen passen, maar door de ketenen van afhankelijkheid te doorzien en daar op gepaste wijze zijn voordeel mee te doen.

Geen wonder, denk ik dan, dat de burger geobsedeerd is door hen die de zelfbeheersing minder onder de knie hebben of van wie hij meent dat zij zich niet kunnen en niet willen beheersen.

In de inleiding omschrijft Goudsblom het vuur met vier woorden: ‘Vernietigend, onomkeerbaar, doelloos, zelfgenererend.’

Het verhaal over het beroemdste liefdespaar uit de geschiedenis, Romeo and Juliet, eindigt niet met een keurig huwelijk maar met een dubbele zelfmoord. Othello verteert en wordt verteerd, net als Jezus, zij het niet door de komst van het hemelse Koninkrijk maar door de gedachten dat zijn Desdemona een ander heeft.

Het verhaal van Humbert Humbert en Lolita kan worden gelezen als het verhaal van een man die geen genoegen wenst te nemen met het symbolische vuur om uiteindelijk, als hij verteerd is en verteerd heeft, terug te keren naar de kunst. Nabokov eindigt zijn roman met het inzicht van Humbert Humbert dat de ‘toevlucht van de kunst [...] de enige onsterfelijkheid is die hij met Lolita kan delen.’

Lang kan hij er helaas niet van genieten, want hij komt kort daarop aan zijn einde in de gevangenis.

Tot zover het woordje ‘vernietigend’.

Een jaar vuur, dertig jaar as

‘Onomkeerbaar’, daarover hoeft niet veel te worden gezegd. Waar het vuur gewoed heeft, daar is de omgeving veranderd, daar is het leven niet meer hetzelfde. Net als de wandaad is het vuur onomkeerbaar. Een beroemd citaat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa illustreert deze onomkeerbaarheid: „Liefde? Een jaar vuur, dertig jaar as.”

Doelloos, dat ligt misschien iets moeilijker. We kunnen de doelloosheid van het interne vuur ook wel het ‘Pathos des Umsonst’ noemen, waarover Goudsblom voortreffelijk heeft geschreven in zijn boek Nihilisme en cultuur.

Flaubert laat het vuur van Emma Bovary doven met behulp van rattengif, ik citeer uit de vertaling van Hans van Pinxteren, op het moment dat het vuur bezig is uit te gaan: ‘En Emma begon te lachen, een gruwzame, uitzinnige, radeloze lach, in de waan het afzichtelijke gelaat van de ongelukkige als een spookbeeld te zien opdoemen uit de eeuwige duisternis.’ Voilà, het ‘Pathos des Umsonst’. Een uitzinnige, radeloze lach, dat is wat overblijft als het innerlijke vuur hevig gewoed heeft.

Nabokov laat de deur nog op een ironische kier staan met de onsterfelijkheid van de kunst als een weg uit de eenzaamheid, Flaubert trekt die deur stevig achter zich dicht. Er is alleen een spookbeeld dat opdoemt uit de eeuwige duisternis, vlak voor het lopend vuurtje voor altijd dooft. Er is niets meer wat Madame Bovary deelt met haar minnaar Rodolphe, op wie zij tevergeefs, Umsonst, en met zoveel vuur al haar verlangens heeft geprojecteerd.

Zelfgenererend. Ja, het interne vuur ontbrandt spontaan, er bestaat geen viagra voor dat vuur. Wellicht kunnen drugs die ontbranding stimuleren, maar ik kan daar weinig zinnigs over zeggen en het lijkt me hier hoe dan ook niet de plaats om daar dieper op in te gaan.

Als het om het zelfgenererende karakter gaat van het interne vuur, zou ik Wittgenstein willen aanhalen, die schreef dat de mens een intuïtieve behoefte heeft aan waarheid, zelfs als hij weet dat die waarheid niet goed voor hem is. Deze intuïtieve behoefte aan waarheid is bij uitstek het innerlijk vuur.

Jezelf verliezen op volwassen wijze

Goudsblom eindigt zijn boek over het vuur met de opmerking dat beheersing ook om beheersing vraagt, al te veel beheersing is contraproductief, waarmee hij zich dus aansluit bij Elias. Het symbolische lopende vuurtje dat zijn interne meesters slaafs gehoorzaamt, deze al te beschaafde mens wil zich nog steeds in iets verliezen. Een psychiater zei recentelijk tijdens een diner tegen mij: „Wij willen ons in iets verliezen, in seks of in de kunst, maar het gaat erom dat wij dat op volwassen wijze doen.” Ik verzuimde te vragen hoe die volwassen wijze eruit zou moeten zien, misschien omdat ik zijn voorbeelden zo veelzeggend vond. Bedoelde hij te zeggen dat wij, beschaafde mensen uit de eenentwintigste eeuw, het daarmee moeten doen als het om verlossing gaat? Seks en kunst?

Hoe essentieel die dubbele beheersing mag zijn voor de kunst, en wat mij betreft ook voor het monotheïsme, religie en kunst leren ons dat de mens niet altijd ongeschonden uit het vuur komt, sterker nog, dat hij niet altijd ongeschonden uit het vuur wíl komen. Die laatste wens zit diep verborgen in het al te menselijke verlangen zichzelf in iets of iemand te verliezen. Het menselijk onbehagen kan niet worden begrepen zonder die slordig verborgen wens onder ogen te zien.

Ik kan niet afsluiten zonder nog een aspect te behandelen dat ook uitvoerig aan bod komt in Goudsbloms boek: de angst voor het vuur. Wij mogen het vuur dan beheersen, de angst voor het vuur hoort nog altijd bij de opvoeding. Niets is makkelijker dan een lucifer te ontsteken en de gevolgen kunnen zelfs in onze lang niet meer zo brandbare steden nog altijd fataal zijn.

Als het om het innerlijk vuur gaat zijn er weinigen die beter en met meer inzicht over de angst voor het vuur hebben geschreven dan Kafka. Wij maken van hem geen heilige als we beweren dat zijn innerlijk vuur uit angst voor het vuur bestond. Alleen al zijn brieven aan Felice en Milena getuigen daarvan. Een passage uit die brieven laat me sinds ik haar heb gelezen niet los. Het is een bijzonder aangrijpend citaat uit een brief aan zijn geliefde Milena Jesenká van 9 augustus 1920. Daarin zegt Kafka dat hij uit angst bestaat en dat die angst het beste aan hem is, dat allicht alleen die angst in hem de moeite van het liefhebben waard is.

De psychiater die ik al eerder aanhaalde en aan wie ik dit citaat voorlegde, verklaarde dat Kafka te hard is voor zichzelf. Zo hard mag niemand over zichzelf oordelen dat alleen zijn angst de moeite van het liefhebben waard is, aldus die psychiater, die overigens gespecialiseerd is in angststoornissen. Maar Kafka is keihard, net als Flaubert.

Misschien is dat het eindspel van het lopend vuurtje, en daarmee van het beschavingsproces; wat blijft is angst voor het vuur.

Als we naar het leven en werk van Kafka kijken, dan blijkt die angst niet minder verzengend dan het vuur van Othello, Humbert Humbert of Madame Bovary. Een schrale troost, maar toch een troost.

En als we aan de laatste, uitzinnige, radeloze lach van Emma Bovary denken, een lach die Kafka niet vreemd zal zijn geweest, moeten we misschien, ook om het eigen overleven niet in gevaar te brengen, vooral het woord ‘lach’ onthouden.

Arnon Grunberg