Modigliani’s muze

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Als ik het veilinghuis Christie’s in New York nader, zie ik ze al hangen in de etalages: enorme posters van prachtige vrouwen. The Artist’s Muse heet de collectie. Het naakt van Courbet ligt wulps achterover, een arm onder haar hoofd gebogen, gehuld in alleen kousen en schoenen. De muze van Lichtenstein is een verpleegkundige, met rode lippen en knalgeel haar. Die van Lucian Freud een wat angstaanjagende vrouw op een rode sofa – het blijkt zijn dochter te zijn. En dan, de beroemdste muze van allemaal, die van Modigliani. Ze ligt er uitnodigend bij. Haar armen en benen open. De erotiek spat van de poster af.

Het duurt even tot het tot me doordringt dat deze schilderijen allemaal te koop zijn.

Binnen ben ik omgeven door een onvoorstelbare rijkdom aan moderne kunst. Picasso, Cézanne, Giacometti, Gauguin, ik zie alleen maar topstukken. Genoeg om meerdere musea mee te vullen. Alleen, daar zijn de meeste schilderijen te duur voor. Deze werken gaan allemaal naar particulieren. Trofeeën voor miljardairs, voor altijd opgesloten in hun villa’s en appartementen. Heel even, alleen op kijkdagen als vandaag, mag de rest van de mensheid ze zien.

Eindelijk sta ik voor Modigliani’s muze. Nu Couché is het meest sensuele schilderij dat ik ooit zag. Vanzelf dringen de beelden zich aan me op. De kunstenaar in zijn atelier, de vrouw die zich voor hem uitkleedt en op haar rug gaat liggen. Urenlang. Het is geschilderd in Parijs, in de winter van 1917-’18. De oorlog woedde, jonge mannen stierven in de loopgraven en heel Europa brandde. Uitgerekend in deze barre tijd wist hij deze onweerstaanbare vrouw op het doek te vangen. Het rood van een mond, huid die erom vraagt aangeraakt te worden.

Amadeo Modigliani was ziek toen hij dit schilderde en straatarm. Zo arm dat hij aanbood zijn hele atelier in Parijs te verkopen voor 100 Engelse pond. De volledige inboedel, alle kunst, inclusief waarschijnlijk dit naakt. Maar het lukte niet het geld bijeen te krijgen. Modigliani stierf twee jaar later aan tuberculose, arm en onbekend.

Opeens hoor ik een gesprek achter mij. Een elegante jonge vrouw en een gedistingeerde oude heer groeten elkaar beleefd, een glas champagne in de hand.

„Hallo, ik ben de achterkleindochter van Henri Matisse.”

„Hallo, ik ben de aartshertog Von Habsburg, achterachterkleinzoon van keizer Frans Josef I.”

Het lijkt een dialoog uit een absurdistisch toneelstuk. Een directe nazaat van de Oostenrijkse keizer, icoon van het conservatieve Europa, die de Eerste Wereldoorlog over het continent afriep, ontmoet een familielid van de progressieve generatie schilders die daar toen recht tegenover stond. Hoe kan het verkeren. Met de Habsburgse dynastie is het slecht afgelopen. De dwarse schilders van toen zijn nu de echte sterren. Modigliani, Schiele, zij stierven jong en onbekend, maar hun schilderijen vullen vandaag de glitterpaleizen van de nieuwe vorsten van het grote geld.

Later leer ik dat het schilderij is gekocht voor 170 miljoen dollar door een Chinese miljardair die ooit begon als taxichauffeur. Hij mag nu naar haar kijken, haar voor zich hebben. Ik gun hem haar niet. Hang haar maar in je slaapkamer. Laat je laatste blik voor je in slaap valt voor haar zijn, je laatste gedachte. Maar ze blijft voor altijd de muze van Modigliani.