Kan IS militair worden verslagen?

Het duurde amper twee dagen of het eerste vergeldingsbombardement van de Fransen, gesteund door de Amerikanen, op kantoren en stellingen van Islamitische Staat in Raqqa was een feit. Franse toestellen wierpen twintig bommen af. Hoeveel slachtoffers daarbij vielen, is niet duidelijk. Zowel in Parijs als in Washington gaan stemmen op de strijd tegen IS nog drastisch op te voeren en het wrede regime van de fundamentalisten van de aardbodem te vegen. 

Pak IS niet langer met fluwelen handschoenen aan, adviseren Kimberly en Frederick Kagan in een commentaar van het Amerikaanse Institute for the Study of War. Ook een meestal gematigd commentator als Roger Cohen betoogt in The New York Times dat IS geheel moet worden geëlimineerd. Een echo hiervan klonk in Nederland in de persoon van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb. Maar heeft het zin die bombardementen op te voeren? De effectiviteit ervan is omstreden.

De VS zijn inmiddels al ruim een jaar bezig en IS is nog bij lange na niet verslagen. Nog in mei van dit jaar namen IS-strijders de belangrijke Iraakse stad Ramadi in. Weliswaar heeft IS juist de laatste weken wat terrein moeten prijsgeven, onder meer de strategische plaats Sinjar, maar verslagen is de beweging geenszins. Toch blijven westerse militairen vol vertrouwen in hun aanpak. „Dit is de meest precieze luchtcampagne in de geschiedenis en een model voor toekomstige campagnes tegen opstandelingen”, stelde de Amerikaanse luchtmachtkolonel Michael Koscheski in september tegenover The Daily Signal, een digitale uitgave van de conservatieve Heritage Foundation. Volgens hem hebben de bombardementen een vernietigend effect op IS. Zo’n driehonderd strijders per week zouden erbij worden gedood en de organisatie zou grote moeite hebben haar troepen te verplaatsen.

Andere militaire denkers in de VS achten dit onvoldoende en dringen aan op de inzet van grondtroepen. Eind vorige maand zinspeelde ook minister van Defensie Ash Carter hierop, al moest dat volgens hem op kleine schaal gebeuren. President Obama liet echter gisteren weten zijn koers niet te zullen verleggen en geen grondtroepen te willen inzetten tegen IS, ondanks de „verschrikkelijke en ziekmakende” aanslag in Parijs. Anderen betwijfelen of het gevaar van IS en zijn bondgenoten onder moslimradicalen in Europa met louter militaire middelen kan worden bedwongen. „We kunnen Raqqa wel met de grond gelijk bombarderen”, waarschuwde de Franse strategische denker François Heisbourg, „maar het is niet duidelijk dat dat ons zou helpen om dit soort aanslagen in Europa af te wenden.”

Ook Heisbourgs Amerikaanse collega Anthony Cordesman, van het Center for Strategic International Studies in Washington denkt er zo over. Hij wees er al een paar maanden geleden op dat de Amerikaanse strategie zich te veel beperkt tot het uitschakelen van een terroristische bedreiging op korte termijn. Wat volgens hem ontbreekt in de Amerikaanse strategie voor landen als Irak, Syrië en Afghanistan is aandacht voor de diepere oorzaken van de problemen in die landen: gebrek aan politieke en economische stabiliteit, corruptie en repressie, die tot burgeroorlogen leidden. Dat leidde weer tot de opbloei van extremistische groepen. Met andere woorden: je kunt IS wel verslaan, maar dan duikt er weer iets soortgelijks op.