Hoe vertel je kinderen over de aanslagen?

Hij heeft vandaag speciaal zijn blauwe trainingspak met een afbeelding van de Eiffeltoren aangetrokken. „Omdat ik meeleef met de Franse mensen”, zegt de 16-jarige Nizar Temlali. Hij zit op de praktijkschool De Einder in Den Haag, in de buurt Transvaal.

Vanmorgen hebben de leerkrachten van de school de aanslagen in Parijs besproken met de leerlingen. Die vinden het allemaal verschrikkelijk, vertelt Aad van Loenen. Hij is de directeur van de praktijkschool, die 24 nationaliteiten telt. Maar, zegt hij, de leerlingen vinden het wel moeilijk dat er nu veel aandacht is voor Parijs en minder voor aanslagen en geweld in Libanon, Beiroet, Syrië en Palestina. „Daarom zijn we een minuut stil geweest voor alle landen.”

Op veel scholen in het land zijn de aanslagen gisteren besproken. En dan wachten leerkrachten veelal niet tot het vak maatschappijleer ergens in de week gegeven wordt, zegt Dieuwertje de Graaff van Diversion, een bureau voor maatschappelijke vraagstukken dat scholen adviseert hoe om te gaan met het onderwerp. „En dat kan na zo’n heftige gebeurtenis ook niet; maandagochtend willen de leerlingen het er graag over hebben. Dát is het moment.”

Discussie

En ook een belangrijk moment. Door de vluchtelingencrisis is de discussie op veel scholen toegenomen en gepolariseerd, vertelt ze. „Stuur ze op een lekke boot terug, hoor je leerlingen soms zeggen.”

Heftige reacties op scholen waren er ook na de aanslag op Charlie Hebdo, maar ditmaal is de worsteling van leerkrachten groter, ziet De Graaff. „Toen was er een gerichte aanval en kon je de discussie nog trekken naar vrije meningsuiting. Ditmaal komt er veel meer samen: de vluchtelingencrisis, de rol van Frankrijk, de vraag waarom juist deze mensen doelwit waren.”

Een antwoord formuleren op moeilijke vragen is niet genoeg, zegt De Graaff. „Leerlingen halen hun informatie vaak uit heel andere bronnen dan docenten. Ze krijgen links doorgestuurd via Facebook, ze lezen op fora dat Amerika terreuraanslagen zou financieren om Palestina te dwarsbomen.” Zulke complottheorieën maken discussie moeilijk. Docenten belanden al snel in een patstelling met leerlingen die zich minstens zo geïnformeerd voelen. „Ons advies: laat je niet verleiden tot een een-op-eendiscussie over feiten of ideologie, maar houd de discussie open.”

Respect

Daar is directeur Aad van Loenen het mee eens. Hij zit in zijn kantoor aan tafel met zes leerlingen van De Einder en vertelt dat er sowieso elke ochtend in de les wordt gesproken en gediscussieerd over maatschappelijke onderwerpen. Dat gaat altijd goed. „We leren om respect te hebben voor elkaar en elkaars mening”, zegt de 14-jarige leerling Faris Doekhie. Er zijn volgens hem geen kinderen die IS steunen. „Ja, soms roept iemand wel iets, maar dat is meer om stoer te doen.”

„Je kan IS niet goed vinden”, zegt Nizar in zijn trainingspak. „Die mensen van IS sporen niet, die schieten in het rond en vermoorden onschuldige mensen.” „Van wie 80 procent moslim is”, voegt directeur Van Loenen toe. „En de moslims krijgen vervolgens ook nog eens de schuld.”

Om ervoor te zorgen dat leerlingen van de school niet radicaliseren, of de criminaliteit opzoeken, wil de school de kinderen een „stevige basis” meegeven. Daarom krijgen ze lessen sociale vaardigheid. En gaan ze op maatschappelijke stage – bij eenzame ouderen op bezoek of werken bij de voedselbank. „Dat is belangrijk voor hun eigenwaarde, ze voelen zich gewaardeerd”, zegt Van Loenen. „En ze draaien mee in de maatschappij. Wie meedoet, zal minder snel afglijden. Want iemand met een toekomst, een baan, een vrouw en kinderen heeft iets te verliezen.”

De leerlingen aan tafel vertellen dat ze weleens bang zijn voor aanslagen. „Omdat we volgens IS geen goede moslims zijn”, zegt een meisje met hoofddoek dat niet met haar naam in de krant wil. „En omdat de mensen van IS gek zijn en gewoon zomaar een bom kunnen gooien.”

De directeur stelt hen gerust: de afstand tussen de politiek en de politie en de wijk is hier in Den Haag niet zo groot. In Frankrijk is dat wel het geval. Daar praten politici niet met jongeren en durven agenten achterstandswijken niet in. „Dat is hier niet het geval.”

Lees ook: Aanslagen dreunen na in de klas