Waarom zijn luizen onuitroeibaar?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een vaak gestelde vraag. Vandaag: waarom heerst er zo vaak hoofdluis?

Eén van de vele tijdrovende klussen die je als ouder toevallen, is luizenbeheersing. Minstens één keer per jaar, maar meestal vaker, is er hoofdluis in de klas. Is je eigen kind besmet, dan wordt kammen een dagelijkse uitdaging. Haren natmaken (‘mama, niet de plantenspuit!’), vóórkammen om de klitten eruit te halen (‘au!’) en dan tien minuten systematisch met de luizenkam er doorheen (‘duurt het nog lang?’). En dat twee weken achter elkaar.

Met een beetje pech hebben de andere gezinsleden het ook. Terwijl je jezelf of je geliefde luizenkamt, vraag je je af: waarom is hoofdluis onuitroeibaar, en waarom juist op basisscholen?

Eerst eens bellen met het RIVM. Maar zo simpel blijkt het niet. „We weten niet of hoofdluis het meest op basisscholen voorkomt”, zegt richtlijnontwikkelaar Desirée Beaujean. „We weten niet eens hoe vaak hoofdluis in Nederland voorkomt.”

Tijdens een Nederlandse peiling in 2010 heerste op 30 van 140 scholen hoofdluis. Maar het percentage kinderen dat besmet was, was laag: minder dan 1 procent. Maar misschien zijn het er meer.

Omdat basisschoolkinderen veel met elkaar stoeien en spelen, lijkt het logisch dat juist zij elkaar gemakkelijk besmetten. Beaujean: „Daarom wordt gezegd dat hoofdluis op basisscholen het meest voorkomt. En je hoort inderdaad vaak dat het op het kinderdagverblijf minder is. Misschien dat de kinderen daar toch minder boven op elkaar zitten?” Er zijn geen cijfers over. „Hoofdluizen zijn niet ernstig. Dus krijgen we geen subsidie om dit te onderzoeken.” 

Het RIVM begon daarom dit voorjaar eenvoudig, met een online enquête. In ‘Luis Thuis’ (u kunt meedoen, nrch.nl/4pgg) wordt ouders iedere maand gevraagd of hun kind nu luis heeft. Uit de eerste cijfers blijkt: dat zijn er wel 8 procent. Beaujean: „Voorlopig, want de cijfers zijn vast nog niet representatief. We zien ook dat middelbare scholieren veel luizen hebben. Ik snap het wel: vooral die meiden knuffelen de hele tijd met elkaar en maken selfies.”

Het ligt voor de hand dat directe besmetting, waarbij luizen van hoofd naar hoofd wandelen, het belangrijkst is. Als ze geen bloed eten, zijn ze binnen één à twee etmalen dood. Enthousiaste onderzoekers in Australië speurden vijftien jaar geleden basisscholen in de stad Townsville af. De kinderen zaten ónder de luizen: 21 procent had ze. Eén vierjarig meisje had 1.623 luizen op haar hoofd. Maar de vloeren en mutsen waren hartstikke schoon. Het RIVM was in 2010 zodanig overtuigd dat luizen niet van jas tot jas gaan, dat alle ‘omgevingsmaatregelen’ uit de richtlijnen geschrapt werden. Het advies luidt nu slechts: twee weken kammen en eventueel shampoo met dimeticon, een vloeistof met siliconen, die de ademhalingskanalen van de luizen verstopt. Dat werkt.

Dus waarom de kinderen dan steeds weer luizen krijgen? Omdat ze het niet vertellen, opperde het Australische team (The Open Dermatology Journal, 2014). Ze hadden 133 kinderen geïnterviewd die wel eens luizen gehad hadden. Bijna één op de zeven kinderen had die besmetting verzwegen.