Van Riebeeck ging Rutte voor op de Kaap

Premier Rutte vermijdt deze week in Zuid-Afrika de koloniale geschiedenis. De Khoisan hopen op herstelbetalingen.

De aankomst van Jan van Riebeeck op de Kaap in 1652, geschilderd door Charles Davidson Bell (1813-1882).

Haar naam staat niet op de lijst van Zuid-Afrikanen die premier Mark Rutte morgen in Zuid-Afrika zal ontmoeten. Anders had Tania Kleinhans-Cedras hem gevraagd: „Jullie hebben zo veel van ons weggenomen, hoe ga je dat herstellen?”

Kleinhans is de eerste vrouwelijke chief van de Cochoqua-clan van de Khoisan, de oorspronkelijke bewoners van de Kaap. Ze had graag willen praten over de eerste Nederlandse handelsmissie, die van de Culemborgse koopman en chirurgijn Jan van Riebeeck, die hier in 1652 aan wal kwam om een verversingspost te stichten voor de VOC. „Jan van Riebeeck was geen icoon, maar een monster. Hij heeft een erfenis van mensenrechtenschendingen nagelaten, een culturele genocide op ons volk”, zegt ze.

Die betrokkenheid van Nederlandse kooplieden met de zuidpunt van Afrika is een onderwerp dat tijdens deze handelsmissie, met meer dan 75 bedrijven, wordt vermeden. Vanwege de aanslagen in Parijs heeft Rutte zijn bezoek ingekort tot een dag. Er staan politieke ontmoetingen op de agenda met onder anderen president Jacob Zuma en zijn vicepresident Cyril Ramaphosa, en met eminente antiapartheidsstrijders en veelbelovende kunstenaars.

Een bezoek aan het Kasteel de Goede Hoop, het VOC-fort van waaruit de opvolgers van Van Riebeeck de Kaap bestuurden, werd al eerder „wegens tijdgebrek” uit Ruttes programma geschrapt. Hoewel Van Riebeeck in Nederland weinig bekend is, is hij in Zuid-Afrika onderwerp van debat. Eerder dit jaar sneerde president Jacob Zuma in zijn State of the Nation-toespraak tot het Kaapse parlement dat „onze problemen begonnen toen Jan van Riebeeck landde in de West-Kaap.”

De chief van de Cochoqua-clan vindt dat Zuma geen recht van spreken heeft. Alle kolonisten van de Kaap maakten zich volgens haar schuldig aan de verdrijving en onderdrukking van de Khoisan. De Portugezen, de Fransen, de Duitsers, de Britten. En ook de ANC-regering, die in 1994 aan de macht kwam. „Waarom zijn de Khoisan nog steeds de meest gemarginaliseerde mensen van Zuid-Afrika?”, vraagt Kleinhans.

Ten prooi aan werkeloosheid

De afstammelingen van de Khoisan staan in Kaapstad bekend als bergies, daklozen die rond de Tafelberg zwerven. Net als de Aboriginals in Australië zijn de eerste bewoners van Zuid-Afrika ten prooi gevallen aan werkeloosheid en alcoholisme. Velen brengen de nacht door in kartonnen dozen bij de buitenmuren van het Kasteel de Goede Hoop. „Zuma heeft niets gedaan om het land aan ons terug te geven.” Ze vindt dat Nederland de Khoisan moet helpen de landerijen die hun vanaf eind zeventiende eeuw zijn afgenomen, terug te kopen. De logboeken van Van Riebeeck, die verhalen over de botsingen tussen de kolonisten en de Khoisan, kunnen wat haar betreft dienen als bewijs.

De Afrikaner historicus Dan Sleigh bestudeerde de logboeken jarenlang en schreef er vele romans over. Hij heeft zo veel bewondering voor de daadkracht van Van Riebeeck, „dat ik met hem naar de maan zou zijn gegaan, of naar Mars”. Van Riebeeck slaagde erin een „Fort ende Tuyn”, te bouwen voor de schepen die de Kaap moesten ronden op weg naar Batavia. Daarvoor moest hij wel landinwaarts trekken op zoek naar goede grond. Vijf jaar na zijn komst botste hij voor het eerst met de Khoisan-nomaden, in de vruchtbare Liesbeeckvallei.

Sleigh erkent dat de komst van de kolonisten „verlies van grond, van brandhout en van een eigen bestaan” betekende voor de Khoisan. Maar om de premier van Nederland daarvoor nu verantwoordelijk te houden, snijdt volgens hem geen hout. „Geen rechtssysteem in de wereld kan de nakomelingen verantwoordelijk houden.”