Column

Nutteloze angst

Zaterdag vond de (zesde) Nacht van NRC in de Rotterdamse Doelen plaats, een evenement dat 2.000 bezoekers trok. Het is bedoeld als een feestelijk uitje voor de NRC-lezers, maar vanwege de aanslagen in Parijs werd het traditionele feest na afloop van de optredens geschrapt. Dat leidde tot enige tweeslachtigheid.

Na middernacht zag ik in de Arcadis-zaal menig beentje in de lucht gaan op muzikale klanken, die meer met rauw dan met rouw te maken hadden. Zoiets is moeilijk te voorkomen, want de mens is een beest dat graag feest.

Dezelfde tweeslachtigheid had ik ook gevoeld als deelnemer die enkele columns van eigen hand zou voorlezen. Welke moest ik kiezen? Vrolijke, ernstige, of één vrolijke en één ernstige? Doen alsof er niets aan de hand was leek het toppunt van wereldvreemdheid, maar als er alleen maar gehuild mocht worden, hadden we beter allemaal thuis kunnen blijven.

Zo bleef ik de hele dag dubben, nog tot kort voor ik het toneel op moest. Het liefst had ik tegen de zaal geroepen: „Wat willen jullie? Ellende of plezier?” Maar dat was vluchten voor de eigen verantwoordelijkheid geweest. Uiteindelijk koos ik voor datgene waar we in Nederland groot mee zijn geworden: het compromis. Ik begon met de ellende en eindigde met het plezier.

Mijn eerste column, gepubliceerd in mei, ging over het Parijs dat ik toen had aangetroffen. ‘Gewapend Parijs’ stond erboven. Ik constateerde daarin dat de stad tot de tanden gewapend leek. „Op wandelingen door de binnenstad zie je vaak met machinegeweren uitgeruste politiemensen voor panden posten. (…). Bij hoog diplomatiek bezoek wordt het centrum van Parijs opeens een soort militair fort, waar de gasten in razend tempo met geblindeerde auto’s doorheen gereden worden (…). Op het Gare du Nord zag ik agenten in burger, gorilla’s van postuur, voortdurend in de hal heen en weer lopen.” Ik concludeerde parmantig: „Parijs is op alles bedacht.”

Nu moest ik eraan toevoegen: „Toch was dat niet genoeg.”

Daaraan had ik nog kunnen verbinden: ,,En het zal nooit genoeg zijn.’’ Maar dat liet ik maar achterwege om het toch nog een beetje gezellig te houden. Zo blijf je aan het schipperen op zo’n avond, tot de drank zijn soms wel degelijk nuttige werk verricht en alles van zijn scherpste randjes ontdoet.

Achteraf hindert me het optimisme van dat slotzinnetje. Parijs op alles bedacht? Hoezo? Wat maakt het uit? Je kunt wel op alles bedacht zijn, maar dat betekent nog niet dat je het ergste kunt voorkomen.

Er spreekt ongeloof uit dat zinnetje, het onvermogen om te geloven dat Parijs spoedig weer zoiets zou kunnen overkomen. Parijs als ‘een soort militair fort’, tja, we weten nu dat het een fort is waar opgehitste jongens met een gemakkelijk verkrijgbaar geweer zomaar kunnen binnenvallen om iedereen neer te knallen.

Daar zullen we ons in onze vrije samenleving nooit adequaat tegen kunnen beschermen. De veiligheidsexpert Peter Neumann hoorde ik op de BBC uitrekenen dat het volgen van één verdachte persoon gedurende een etmaal dertig rechercheurs vergt. Onbetaalbaar dus. We kunnen er alleen maar het beste van hopen in onze onvoldoende beveiligde huizen, gebouwen, parken, straten, boten, treinen en soms ook vliegtuigen (vooral als ze in Egypte opstijgen).

De wereld is zo onveilig geworden dat angst iets nutteloos krijgt. Misschien hebben we daarom wel zo’n behoefte aan al die feesten.

FRITS ABRAHAMS