In 2024 krijgen bejaarden eindelijk aandacht en kunst

Oekraïne en Rusland beschreven door de ogen van twee jonge journalisten. Het ene boek leest als een Kuifje-avontuur, het andere is meer duidend van aard. En ook deze week: een roman over het betere bejaardentehuis.

In de nieuwe roman van Vonne van der Meer is het 2024. Prinses Amalia (20) is zoenend betrapt met een of andere Griek. Bij Basel is een grote overstroming geweest. En in de verpleging is de zorgpop ingevoerd, van Japanse makelij.

Winter in Gloster Huis speelt zich af in de zorgsector, in de ouderenzorg om precies te zijn. Wat moeten we met onze bejaarden? Hoe leuk is hun leven nog als ze zich eenzaam en overbodig voelen, ‘als een schimmelend kaasje onder een beslagen stolp’, zoals een van de romanfiguren het uitdrukt. Dat is de interessante vraag die Vonne van der Meer opwerpt en ook probeert te beantwoorden. We hebben hier, in het jaar 2024, te maken met de ‘Klaar met leven-wet’ en met de vrij beschikbare ‘laatstewilpil’, ook wel ‘verdwijnpil’ genoemd. Wet en pil voorzien in een veronderstelde behoefte bij ouderen om zelf hun levenseinde te bepalen. Langdurig en uitzichtloos lijden is daar niet langer voor nodig. De ouderdom volstaat.

Van der Meer brengt een voor- en een tegenstander van euthanasie op de been: twee broers die flink hebben geërfd van hun overleden vader. Beiden nemen diens laatste wens serieus om ‘iets goeds’ te doen met het vele geld. Richard bouwt een ‘Vaarwelhotel’ waar tachtigplussers kosteloos en onder zo prettig mogelijke omstandigheden afscheid van het leven kunnen nemen. Arthur, de jongere broer, vertolkt het tegenovergestelde standpunt, dat van de schrijfster. Hij vindt het maar niks dat mensen al snel na aankomst in het hotel in een doodskist afgevoerd worden. Hij bouwt het Gloster Huis, voor degenen die alleen maar dáchten dat ze er genoeg van hadden. Ook in dit hotel is het verblijf geheel gratis.

Het is Van der Meer wel toevertrouwd om van dit tweede leven-hotel een knusse, veilige plek te maken, waar alle bewoners meteen weer opbloeien. Ze worden niet alleen overstelpt met aandacht en zorg, maar ook getrakteerd op toneelstukken, films, boeken en schilderijen.

Wat in deze lichtvoetige pamfletroman wordt bepleit, is in feite de herinvoering van het betere bejaardentehuis – een instituut dat op dit moment juist in rap tempo wordt afgebroken, omdat er geen geld meer voor is. Van der Meer omzeilt deze geldkwestie door een rijke erfgenaam op te voeren, die zich geen zorgen hoeft te maken om een passende begroting. Ze tovert ons een ouderenparadijs voor. Maar nu nog even een gedegen businessplan om ook de politiek te overtuigen.