Ik ben een geluksvogel

(24) is een van de modetalenten van haar generatie. Dit jaar had ze haar eerste show in Parijs. „Mijn merk moet volwassen worden.”

Foto: Merlijn Doomernik

Drie weken was ze onderweg, tussen half september en begin oktober, met haar 20 ontwerpen in een grote koffer. Een weekend stond ze op de modebeurs in Londen, een week op een beurs in Milaan. Ze had een show in Parijs – waarvoor iemand anders de twee spectaculairste outfits met een auto bracht – en bleef daarna nog een week in de Franse hoofdstad om op afspraak haar collectie te laten zien. Haar rok van bruin-wit koeienvel met handbeschilderde voering hangt nu eind van het jaar in drie maten bij de chique boetiek Kiki Niesten in Maastricht. Verder verkocht ze niets; er kwam vooral pers bij haar langs.

Maar modeontwerper Liselore Frowijn (24) kijkt tevreden terug. „Ik heb gehoord dat veel winkeliers het te gek vinden wat ik doe, maar Vetements en Marques’ Almeida zijn nu de nieuwe merken die iedereen wil hebben. Dat is natuurlijk concurrentie voor mij, maar het geeft ook ook hoop: het laat zien dat er nog steeds ruimte is voor een nieuwe energie.”

Haar atelier in de buurt van het Centraal Station in Amsterdam ruikt nog naar verf en is bijna helemaal leeg – pas twee weken geleden trok ze erin. Frowijn is een van de tien kunstenaars, en de enige modeontwerper, die door het Amsterdams Fonds voor de Kunst werd gekozen voor een project dat door het fonds betaalde werkruimte aanbiedt. „Ik ben een geluksvogel”, zegt ze. „Ik krijg zoveel kansen.”

Sinds ze tweeënhalf jaar geleden afstudeerde aan ArtEZ in Arnhem, geldt Frowijn als een van de grote modetalenten van haar generatie. Met haar spectaculaire, uitbundige eindexamencollectie van grote jassen en capes met vrolijke prints en al even kleurrijke, sportieve bodysuits, deels geïnspireerd op het werk van Matisse, won ze de Frans Molenaarprijs voor jong couturetalent, waarna ze een half jaar aan de slag kon bij Vlisco, het Nederlandse bedrijf dat de in Afrika populaire stoffen met ‘wax-prints’ maakt. Ze ontwierp er een collectie die intern wordt gebruikt als inspiratiebron.

In het voorjaar van 2014 werd haar eindexamencollectie geselecteerd voor het mode- en fotografiefestival in Hyères in Zuid-Frankrijk, een van de belangrijkste internationale wedstrijden voor jonge ontwerpers; Viktor & Rolf begonnen er ooit hun carrière. Daar werd ze beloond met de Chloé-prijs, die door het Franse modehuis wordt uitgeloofd en waar elke deelnemer een speciale outfit voor maakt. Die prijs leverde haar wederom een tijdelijke baan op, bij een Italiaans bedrijf dat zijden shawls en dassen maakt voor grote modemerken en ook een eigen collectie heeft, die zij mocht ontwerpen.

Sinds begin dit jaar concentreert ze zich op haar eigen lijn. Afgelopen maart resulteerde in haar eerste show in Parijs. In de collecties spelen print, kleur en beeldende kunst – haar laatste collectie, voor voorjaar 2016, is gebaseerd op het werk van Sol LeWitt – nog steeds de hoofdrol. Tot nu toe showde ze buiten het officiële schema van de modeweek om, maar ze wil dat zo snel mogelijk veranderen. „Mijn merk moet volwassen worden.” Voor de Nederlandse museumwereld is dat het al: haar ontwerpen zijn nu te zien in het Gemeentemuseum in Den Haag en Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.

Frowijn spreekt een keurig, accentloos Nederlands dat je zelden hoort bij iemand van haar generatie („Ik word daar vaak mee geplaagd door vrienden”). Ze is de dochter van een architect en een leerkracht op de basisschool. Op de lagere school was ze een tekenmeisje: eerst plattegronden, vanaf haar elfde poppetjes met kleren aan. „Later ben ik catwalkfoto’s gaan natekenen van style.com. Draken van tekeningen, die later bij mijn toelating de academie helemaal werden afgekraakt. Maar het was wel een begin.”

Op de academie hoorde ze, zegt ze, „nooit bij die paar mensen die altijd de hoogste beoordelingen kregen.” In de eerste helft van het laatste jaar liet ze zich ook veel beïnvloeden door meningen van anderen. „Daar heb je niks aan, want ik was helemaal niet blij met wat ik maakte. Toen ik aan mijn eindexamencollectie begon, besloot ik: nu ga ik dingen doen waar ik zelf achter sta. Maar ik had nooit verwacht dat er zo goed op gereageerd zou worden. Daar heb ik echt geluk mee gehad. De afgelopen jaren heb ik vaak gedacht: wat overkomt me nou toch allemaal.”

Je hebt het steeds over geluk. Je zou ook kunnen zeggen: ik ben eigenlijk best goed.

„Dat vind ik moeilijk. Er zaten zoveel goede ontwerpers in mijn klas. En zeker als je op Instagram kijkt, besef je: er zijn nog vierduizend merken zoals het mijne. Aan de andere kant werd juist ik geselecteerd om op de beurs in Milaan te staan, ook al heb ik niet zoveel volgers op sociale media. Dus misschien als het zo doorgaat, dat ik over een paar jaar durf te zeggen: ja, ik heb het best goed aangepakt.”

Wat moet een goede modeontwerper volgens jou in huis hebben?

„Talent is niet genoeg. Je moet altijd op de feiten vooruitlopen. Je hebt natuurlijk geen controle over wat er gebeurt, maar je kunt wel gedisciplineerd zijn en denken: als ik die mensen nu al benader, dan kan ik straks misschien dat en dat doen. En je moet altijd groot blijven denken. Je geeft heel veel als ontwerper, en soms vallen dingen een beetje tegen…”

Wat is je tegengevallen?

„Ik vond dat er in oktober te weinig mensen naar mijn show in Parijs zijn komen kijken. Er pasten wel honderd man in de galerie, maar er waren er slechts veertig à vijftig. Alleen denk ik daarna niet: ik ga het niet meer doen. Eerder: hoe kan ik het de volgende keer aanpakken? Volgend seizoen wil ik ook meteen een grotere show in Parijs, dus ik ben nu al op zoek naar een sponsor.”

Veel Nederlandse ontwerpers zijn teruggekomen op het showen in Parijs. Ze proberen het wel, maar alleen Viktor & Rolf en Iris van Herpen hebben er met een eigen label voet aan de grond gekregen. De meesten richten zich toch op Nederland.

„Er is hier veel waardering voor wat ik doe. Maar Nederland is gewoon niet zo groot, dus het is moeilijk hier een klantenkring op te bouwen. En waarom zou ik niet hoog inzetten? Ik ben nog heel jong, kan altijd nog iets anders doen.”

Nu zoveel modemerken onderdeel zijn van beursgenoteerde bedrijven lijkt het moeilijker dan ooit een plekje te veroveren in de mode.

„Van de 23 mensen met wie ik in de klas zat, werkt misschien een handjevol echt in de mode. De klassieke baan bij een groot modehuis wordt ook steeds onbereikbaarder. Een klasgenoot van mij heeft net een baan bij Chloé, een ander gaat net beginnen bij Louis Vuitton.”

Ga je weleens kijken bij shows van grote merken?

„Vorige maand kreeg ik via een contact een uitnodiging voor de show van Ann Demeulemeester. Het was een vrij duistere collectie, ik voelde er niets bij. Demeulemeester is zelf weg bij het merk en er zitten nu andere ontwerpers op, en ik miste heel erg de liefde, de romantiek. Het leek bijna een moetje. Je kan dat ook wel eens hebben in een restaurant. Dan ga je ergens eten en dan denk je: waarom maken ze dit überhaupt? Maar het was goed om te hebben gezien: zo moet het dus niet.”