Het misverstand dat gezelligheid heet

Ja, ongezellig, deze verhalen. De eenzame personages van De Moor blijven toch hopen op gezelligheid. Vergeefs.

Illustratie Paul van der Steen

De beste zin uit Marente de Moors bundel Gezellige verhalen staat op pagina 89, waar de hoofdpersoon van het verhaal ‘Wat zoekt u’ woedend uitvalt: ‘Godverdomme, graag of niet [...] dan wordt het Funda voor je! Klotehuis! Laat anderen het maar opknappen, Funda zal het zijn!’

Dreigen met een makelaarssite? Inderdaad, de aangesprokene is hier een woning. Of eigenlijk richt de bewoonster zich tot haar cv-installatie, die even daarvoor een straal bloedheet water op haar heeft gespoten – een slapstickeffect dat De Moor ten volle uitbuit.

Het verhaal is niet alleen een van de beste in de bundel; de hele thematiek van Gezellige verhalen wordt erin samengebald. De hoofdfiguur is een promovenda die verhuisd is naar het Twentse platteland. Daar verwachtte ze inspirerende heerlijkheid, maar nee. Het huis piept, kreunt en kraakt als een stramme bejaarde, er gaan dingen stuk, de hond van een eenkennige buurman graaft gaten in de bloembedden. De andere buurman, Stan, is juist net wat te behulpzaam. Een oudere weduwnaar die de hele tijd ‘meisje, meisje toch’ zegt en stiekem hoopt op méér met zijn jonge alleenstaande buurvrouw.

Terloops laat De Moor weten dat er sprake is van een ex en tussen de krachttermen door wordt het hoofdthema van het verhaal zichtbaar. De eenzame Ilse probeert haar gezelligheid voornamelijk te vinden op Marktplaats, waar ze verslaafd aan is geraakt. Daar kijkt ze naar dingen en koopt ze spullen. En ze ziet wat voor intiems en vreemds (een menselijke onderkaak) haar buren aan de man proberen te brengen.

Plaatjes van spullen op Marktplaats

Knap laat De Moor de diepte van het probleem zien. Ilse schreeuwt niet alleen tegen haar verwarmingsinstallatie alsof dat een mens is. Haar Marktplaatsverslaving maakt het nog een stukje erger. Ze klampt zich daar niet eens vast aan spullen, maar aan plaatjes van spullen. Verder weg van echte gezelligheid kan een mens niet komen.

Maar pas echt pijnlijk wordt het wanneer er een figuur van vlees en bloed op het toneel verschijnt: een klusjesman die Ilse opscharrelt via Marktplaats. ‘Ilse trok haar slipje uit, spoot schuim tussen haar benen en hurkte neer met het scheermesje.’ Dat blijkt een overbodige voorbereiding: de klusser ruikt niet alleen naar wasverzachter (hij heeft dus een vrouw!), maar Ilse’s ironisch-flirterige opmerkingen zijn hem veel te stads. Dat wordt dus niks, denk je samen met de hoofdpersoon. Wéér geen contact, weer geen gezelligheid.

De Moor heeft echter nog een twist in petto. Ilse spiekt op de zolder waar de klusser aan het werk is. ‘Hij zat achter de behuizing die hij van de ketel had losgemaakt en huilde.’ Hij huilde? Inderdaad, maar ook deze kans op contact weet de arme Ilse niet te grijpen.

Welbeschouwd is het een zielig verhaal zonder veel revolutionaire elementen, maar De Moor schrijft het zo scherp en uptempo op dat het nergens wee wordt. Bovendien zie je bij herlezing waar de verwijzingen naar Marktplaats, Funda en andere webzaken toe dienen: om ons duidelijk te maken hoe onbetrouwbaar die wereld is. Ook in de andere verhalen komen nogal wat digitale communicatiemiddelen voorbij, net als mistflarden en andere spookeffecten: we zijn in een wereld beland waarin elk overzicht dreigt zoek te raken.

Het probleem: die verdomde hoop

Eigenlijk had de bundel Ongezelligheid moeten heten, zo programmatisch zit het geheel in elkaar. De Moor benadrukt keer op keer de verwachting van contact, van gezelligheid in de oorspronkelijke betekenis van het woord – iemand die met ons optrekt – waarna haar karakters bedrogen uitkomen.

Soms komt die teleurstelling pas na jaren. Zo gaat het schitterende openingsverhaal over een banketbakker die decennia een zaak heeft gedreven met zijn broer, tot deze in de netten van een vrouw verstrikt raakt, ‘echt’ wil leven en de benen neemt. De verlaten verteller laat zich uiteindelijk door de bakkershulp (een mooie jongen, dat speelt mee) overhalen om nog een dag dóór te bakken, ook zonder zijn levenslange gezel.

Ook in De Moors sterke vorige boek, Roundhay, tuinscène, waren de karakters niet zo goed met (andere) mensen. Die roman draaide om de tragiek van mensen die zich vergeefs inbeeldden dat ze het verleden konden grijpen of terughalen – in Gezellige verhalen lijdt men aan het misverstand dat er echt zoiets bestaat als gezelligheid. Niet de eenzaamheid is hier het probleem, maar de hoop.

Dat je het boek toch van begin tot eind met een goed gemoed leest komt door de scherpe stijl en subtiele composities van De Moor, die op virtuoze wijze om het drama heen kan schrijven, zoals in ‘I Want To be Happy’, een beeldschoon verhaal over een stalker, met bedrog en persoonsverwisselingen. Als alle gezelligheid fictie is, dan kun je ’m maar beter zelf verzinnen – dat is feitelijk de les van de hele bundel, en eigenlijk van de hele literatuur.