Graaf Dracula in een alternatief jasje

Tien romans schreef Jonathan Coe, waaronder het drietal dat hem tot een van de vooraanstaande Engelse schrijvers maakte: What a Carve Up! (1994, over de Greedy Eighties), The Rotters’ Club (2001, over de tegenstrijdige jaren zeventig) en The Terrible Privacy of Maxwell Sim (2010, over de eenzame jaren nul).

In nummer elf concentreert hij zich op de tijd die net achter ons ligt, het decennium van groeiende inkomensverschillen, desastreuze inmenging in Irak, meedogenloze realityshows en rendementsdenken in de gezondheidszorg. Niet verwonderlijk verlangen bijna al zijn personages naar een imaginair verleden, naar een tijd dat het leven in Groot-Brittannië ‘beter, eenvoudiger, makkelijker’ was.

Dat geldt zelfs voor Rachel, die als twintiger een beetje jong is voor nostalgie naar de tijd dat ze bij opa en oma op het platteland logeerde en Enid Blyton-achtige avonturen beleefde. Maar Rachel is zoekende, een middenklassemeisje dat niet weet wat ze met haar leven aan moet. Ze krijgt een baantje als bijleslerares bij een rijke familie, die met de even welgestelde buren in haar Londense wijk in een wedloop verwikkeld is om zoveel mogelijk verdiepingen onder het huis te bouwen. Als de werklieden een gat hebben gegraven van dertig meter diep, en zijn aangekomen bij etage min-elf, beginnen er vreemde dingen te gebeuren.

Het verhaal van Rachel is maar een van het half dozijn dat Coe in Number 11 vertelt. We maken ook kennis met haar arme half-Caribische vriendin Alison, wier moeder na een carrière als one hit wonder geslachtofferd wordt in de Britse versie van Expeditie Robinson; met een filmhistoricus die als een bezetene een film najaagt die hij als jongetje heeft gezien; met een detective die er een geheel nieuwe manier van deduceren en combineren op nahoudt.

In het verweven van verhaallijnen is Coe een meester. Ook in Number 11 komen alle draadjes mooi bij elkaar, al had ik wat moeite met het fantasy-element dat aan het eind van de roman de kop opsteekt. Het is zwart, lichtschuw, bijtgraag en het komt uit Roemenië – Dracula in een alternatief jasje.

Coe houdt wel van een beetje horror – What a Carve Up! eindigt met een massamoord in een vervallen landhuis – maar zijn eigenlijke doel is een meedogenloos portret van Groot-Brittannië na de New Labour-revolutie. Gelukkig dient Coe hem op met humor en vaart, zodat je als lezer niet terneergeslagen achterblijft – hoogstens omdat je zou willen dat de roman nog honderd pagina’s doorging.